Rekenen in Amsterdam

,,Uw duidelijkheid is mijn duidelijkheid niet.'' Toegeeflijker dan dit werd Hannah Belliot gisteren niet. Het was een typerende ontknoping van de vergadering met de commissie Cultuur van de Amsterdamse gemeenteraad en van een oplopend conflict deze week.

Belliot, de wethouder van Cultuur, wilde in dat conflict niet wijken. Ze zou nog geen millimeter buigen, dat was vanaf haar entree in de afgeladen zaal op het Amsterdamse stadhuis zichtbaar. Zonder een spier te vertrekken, de zaal monsterend met een stuurse blik, wachtte ze af tot het punt `Actualiteit' aan de orde kwam.

Toen het zover was betoogde ze opnieuw dat ze iedereen `glashelder' en `bikkelhard' had geïnformeerd. Dat was nadat de commissieleden, van alle partijen, hadden gezegd in het duister te tasten, en na een exposé van de secretaris van de Kunstraad, haar adviesorgaan, over de schimmigheid rond de cruciale vraag: hoeveel subsidie is er voor de kunstinstellingen in de hoofdstad.

Ter verdediging las Belliot nog eens de gewraakte passage met stemverheffing en veel klemtonen voor. ,,In dit verband is het relevant te constateren dat de aanvragen voor het Kunstenplan 2005-2008 gebaseerd zullen zijn op prijspeil 2002, terwijl het besteedbaar kader voor het Kunstenplan gebaseerd is op de conceptbegroting 2004. Bij de financiële beoordeling van de ingediende aanvragen dient u rekening te houden met een prijspeilverschil van 5,575 procent.''

Onduidelijk, zeiden Kunstraad en gemeenteraad, `verhullend', `toverformules'. `Open', `transparant', zei Belliot. Alle commotie was te vermijden geweest als de ambtenaren het sommetje gewoon even hadden voorgerekend, zodat er een `nominaal bedrag' had gestaan. En de commotie was snel over geweest als Belliot inschikkelijk was geweest. Enige deemoed is nu eenmaal vereist in het menselijk verkeer. Als een ander je niet begrijpt, ligt het meestal aan hoe je het zegt. Alleen slechte journalisten, ouderwetse leraren en hooghartige politici roepen dan dat de andere te stom is.

Belliots opstelling leidde tot een weekje vol insinuaties. Verschillende keren werd mij door de medewerker van Belliot als `bewijs' van de leugenachtigheid van de secretaris van de Kunstraad een e-mail voorgelezen waarin deze schreef wel degelijk te begrijpen hoe groot het budget was. Dat bleek te gaan over een ander onderdeel van de begroting. Andersom werd zij weinig gefundeerd beticht van een opzetje: de extra bezuiniging zou ze voor zichzelf reserveren. Een hoofdartikel in deze krant zag zelfs al het `gevaar van cliëntelisme' opdoemen.

Belliot heeft geen talent voor deemoed. Met haar stoïcijnse en stoere houding straalt ze ontegenzeggelijk een imposante kracht uit. Maar door zich zo af te sluiten voor billijke kritiek etaleerde ze vooral de arrogantie van de macht, een beproefde stijlfiguur en nog steeds effectief. De commissie, een waakhond die geen ruzie wilde maken, liet het het er donderdag bij, moegebeukt.