Pionnen met goede bedoelingen

AMSTERDAM/ BERGISCH GLADBACH/ BONN. Voor het eerst sinds 1994 was ik op 4 mei in de stad en hoewel ik geloof dat herdenkingsbijeenkomsten een futiele ceremonie zijn geworden, ging ik om half acht naar een klein monument in Amsterdam-Zuid waar een Duitse jood is gefusilleerd. Vroeger kwam ik daar met mijn vader.

De krans met het lint was onveranderd. Iets van `je medestrijder en vriend tot over de dood, Ko'.

Er waren een stuk of vijftien mensen, onder paraplu's. Een vrouw van wie ik vermoedde dat ze de dochter van Ko was, en die namens haar vader daar elk jaar een krans kwam ophangen. Zo stelde ik me dat in ieder geval voor. Ze maakte er ook foto's van, voor vrienden in het buitenland, of voor familieleden die niet meer goed ter been waren.

Als ik een journalist was geweest had ik een praatje met haar gemaakt, maar dat deed ik niet. Ook het interview is een futiele ceremonie geworden. We zijn allemaal er op voorbereid dat ze op een dag voor onze deur staan, met camera en al, en dat ze vragen: ,,Wie is je vader? Wie is je moeder?'' Of: ,,Waar was u toen het gebeurde?'' Van huisvrouw via wielrenner tot postbode, we weten dat onze vijf minuten zendtijd zullen komen, als we geluk hebben, als de ramp groot genoeg is, krijgen we een kwartier. De training die wij delen is mediatraining.

Zo keek ik van acht tot twee over acht naar het lint van de krans dat wapperde in de wind, en net als vroeger overheerste na afloop teleurstelling dat het me weer niet was gelukt aan iets te denken. Ja, aan de schoenen van de mensen om mij heen, hun paraplu's, het lint zelf.

Om drie over acht liep ik snel weg, bevreesd bekenden van vroeger te ontmoeten. Met een vriendinnetje en een vriend van haar at ik Japans in de Agamemnonstraat waar ik ook al tien jaar niet meer was geweest. Mei 1994 had ik in de Agamemnonstraat een clandestien bordeel op de begane grond bezocht. Het bestond niet meer, er woonde nu een gezin, met jonge kinderen zo te zien, er stond een driewielertje in de woonkamer.

Een vrolijke avond werd het, vol gesprekken over koetjes en kalfjes, dat zijn de vrolijkste avonden.

Later las ik de herdenkingstoespraak van Geert Mak, in zijn soort niet slecht, eigenlijk goed. Toch werd ik gesterkt in het idee dat herdenken verworden is tot iets veel ergers dan alleen een machteloos en sleets geworden ritueel.

Ik las: ,,Waarom hangen er wolken van cynisme rondom onze felbevochten democratie overal in Europa?''

Een goede vraag, fatsoenlijke retoriek, niettemin leek me ,,tsja'' het beste antwoord. Vervolgens stelde Mak de vraag: ,,Waar is de passie?'' Ook een goede vraag, maar wel gevaarlijk. Fundamentalisten kan passie niet ontzegd worden. Als het volk passie gaat vertonen moet je je dochters binnenhouden en je winkels sluiten.

Mijn passie voor stilte neemt toe, dacht ik in de taxi op weg naar mijn hotel in de binnenstad.

Ik trek consequenties uit mijn passie. Ik kan een gesprek voeren met mijn vriendinnetje, liever word ik door haar zwijgend in de nek gekriebeld alsof ik een hond ben die is aan komen lopen.

Ook in bad liet dat herdenken me niet los.

Het gat tussen de officiële werkelijkheid, zoals ons die dagelijks wordt gepresenteerd, waarin wij geacht worden te geloven, die wij lippendienst moeten bewijzen, en dat wat werkelijk gaande is, is onoverbrugbaar. Ik kan me levendig voorstellen dat een gewaardeerde maar inmiddels vergeten schrijver in 1987 in Oost-Berlijn waarschuwde voor wolken van cynisme die uit het westen naar het oosten kwamen drijven.

Natuurlijk zijn wij er beter aan toe dan Oost-Berlijn in `87, want we hebben bananen in overvloed, en we bespioneren elkaar niet namens de staat, alleen namens onszelf. Vrijheid is individualisme.

Waarschijnlijk hebben boven de aflaat ooit ook wolken van cynisme gehangen, afkomstig van mensen die er geen heil meer in zagen te betalen voor het eeuwige leven, en ik geef ze geen ongelijk.

Om bevrijdingsdag te vieren ging ik naar een geitenboerderij in Stroe waar ik een jaar daarvoor een geit had uitgezocht, met wie ik een een paar weken later om publicitaire redenen door Nederland ben getrokken. Zoals dat gaat, het begint als marketing en er komt toch tederheid aan te pas.

De geit had twee kinderen gekregen. Een meisje en een jongen. Het meisje was al verkocht. Ik vermoedde dat ,,verkocht'' een eufemisme was voor ,,geslacht'', maar om de goede sfeer op de geitenkaasboerderij niet te bederven vroeg ik niet verder.

De geit met wie ik vijf dagen van mijn leven had gedeeld herkende mij niet. Ze liep zelfs van me weg, maar met behulp van de boer, die de achtervolging inzette, werd ze gepakt en zo kon ik haar in mijn armen nemen. Ze likte mijn gezicht. Een hoopvol teken: ze wilde me niet kennen, maar ze was ook weer niet vies van me.

Ter voorbereiding op mijn komst had de boer de avond ervoor een groene streep op haar vacht gezet, opdat ze op zou vallen in de kudde.

,,Was ze anders'', vroeg ik aan de boerin, ,,toen ze terugkwam op de boerderij?''

,,Twee maanden lang was ze anders'', zei de boerin. ,,Ze reageerde echt als je haar naam riep, ze leek meer behoefte te hebben aan mensen, na twee maanden was dat allemaal weg.''

In twee maanden kun je afkicken van mensen. Met die zekerheid verliet ik de geitenkaasboerderij en ik besloot mijn passie voor stilte te intensiveren.

In de auto van geit naar Amsterdam was daar toch weer Geert Mak, met wie je het nooit oneens hoeft te zijn.

Elke afbeelding van de werkelijkheid, of die nu uit woorden bestaat, uit beelden, of een combinatie van die twee, is ook mooi, of lelijk. CNN is een esthetische ervaring, CNN is vrijwel niets dan een esthetische ervaring.

Om herhaling van gruwelijkheden te voorkomen zijn gruwelijkheden net zo vaak afgebeeld als God, Maria en haar zoon.

Wanneer wij massamoord en etnische zuivering beschouwen als kunst in uitvoering, performancekunst met minder fortuinlijke acteurs, doen wij de werkelijkheid veel meer recht dan wanneer wij onze ingestudeerde afkeuring erop loslaten die uiteindelijk loos is, en machteloos, maar wel net zo mooi als een schilderijtje van Anton Pieck.

Het probleem van het reëel bestaande moralisme is dat het leugenachtig is tot op het bot. Een religie is zonder God. Zonder hulpstukken dus, maar wel compleet met kerk, heiligen, duivels, dogma's die je moet accepteren, anders dreigt uitstoting.

De verkopers van die moraal lijken op de verkopers van aflaten. Zij zijn de ware cynici, of, wat erger is, onwetende pionnen met goede bedoelingen.

In goede gezondheid reisde ik twee dagen na de geit naar Bergisch Gladbach waar ik in het verleden gepassioneerd had gewandeld.

Het zwembad van het hotel was dicht, er waren verontreinigde stoffen in het water aangetroffen. De sauna was open, daar kan het ook stil zijn.

Bergisch Gladbach is niet ver van Bonn waar ik zondagochtend moest voorlezen. Ook de literatuur is een kerk zonder God. Met ceremoniën: mensen die in een warm zaaltje vechten tegen de slaap, maar denken, het is goed voor me, en ik heb er zes euro voor betaald.

Er was dat weekend een filatelistencongres in Bonn.

In een Italiaanse restaurant in de binnenstad zat een filatelist naast mij. Bij het ontbijt in het hotel kwam ik er weer een paar tegen. Filatelisten zijn mannen alleen die van stilte houden. Mijn vader was een filatelist maar hij had het ook op bomen. Hij kon stilstaan voor een boom en er dan een paar minuten naar kijken, ook als er geen bladeren aan zaten.

Het hotel in Bonn beschikte tot mijn verbazing eveneens over een zwembad. Het was piepklein maar wel open.

De verontreinigde stoffen moesten nog worden ontdekt.

    • Arnon Grunberg