Opgelost in het geel van de Sahara

Een prestigieuze uitgave onderzoekt de bijdragen van migranten aan de Neder- landse cultuur en werpt nieuw licht op het archetype van de vreemdeling.

De kunstenaar met een dubbele achtergrond is hot en nodigt uit tot bespiegelingen: Hij voegt datgene toe wat Nederlandse kunstenaars vaak lijken te missen: een kosmopolitische uitstraling, een dwarse kijk op zaken die te lang voor waar gehouden zijn en de bereidwilligheid om een grillig patroon in een platgetreden pad te ontdekken. En dan is er nog dat onbenoembare dat een kunstenaar uit den vreemde met zich meebrengt, een vorm van mystiek welhaast. Maar als de toeschouwer denkt dat hij naar niet-westerse kunst kijkt, dan heeft hij het mis. Juist de presentatie van de exotische elementen in een westers kader, maken dat het kunstwerk op de een of andere manier dichtbij komt. De kunstenaar weet dat alleen maar zijn eigen cultuur uitdragen uiteindelijk leidt tot folklore. Hij zegt dus: beste toeschouwer, dit mogen dan voor jou allemaal vreemde elementen zijn, maar doordat ik ze in een westers kader heb geplaatst, lijken ze minder vreemd. Toch blijft er die tintelende sensatie dat er iets anders aan de hand is, iets wat men soms uit arren moede exotisch noemt.

Aandacht krijgen enkel en alleen door het vreemde element kan ook kwaad bloed zetten bij anderen. Op allochtone kunstenaars zouden andere criteria worden toegepast dan op autochtone, al lijkt dat argument op dit moment enigszins op zijn retour. Een taart is een taart en moet zoet en goed smaken, om te pruimen te zijn. Wat dondert afkomst nog in onze huidige samenleving, waar het opheffen van grenzen tussen lage en hoge kunst, de invloed van camp, de verregaande commercialisering van de kunst, en niet te vergeten de televisie, de weg hebben vrijgemaakt voor een minder strenge en elitaire beoordeling van wat echte en minder echte kunst is.

Kunsten in beweging, onder redactie van Rosemarie Buikema en Maaike Meijer, is het eerste boek in een prestigieuze serie van vijf delen over de vraag op welke manier migranten in de twintigste eeuw in Nederland kunst hebben gemaakt, zijn gehuisvest en wat ze aan culinaire traditie meenamen. Het gaat om een wetenschappelijke biografie van een bevolkingsgroep. De makers van de reeks willen tot een nieuwe invulling komen van wat de Nederlandse cultuur is en daarin de migrantenbijdrage uittekenen. Het aardige van dit eerste deel is dat men via levensgeschiedenissen bekijkt op welke manier nieuwkomers zich hebben afgezet tegen of juist zijn opgenomen in de Nederlandse cultuur. Grote thema's zijn teruggebracht tot biografieën die laten zien dat er geen eenduidige uitspraken te doen zijn over individuen.

Marge

Als er ergens een grens te trekken is tussen de kunstenaars die in Kunsten in beweging worden geportretteerd en hedendaagse kunstenaars, dan is het wel dat de nieuwe kunstenaars een succes genieten waarvan hun voorgangers alleen maar konden dromen. Kunst door migranten was jarenlang kunst in de marge en de kunstenaars die wel succes hadden bij het grote publiek kun je soms nauwelijks serieus nemen.

Er is nog iets anders dat opvalt: kunstenaars die engagement en verbrokkeling meenamen uit hun vaderland, die geneigd waren zaken op de spits te drijven, liepen vast in de polder. Tjaling Robinson, de Indische schrijver, had zich vast een groter succes toegewenst met zijn kritische boeken en stukken. Hij richtte zich in de jaren vijftig steeds meer op een Indisch publiek dat na de onafhankelijkheid gedesillusioneerd uit Indië was vertrokken en in Nederland bij nul moest beginnen. Over zijn ervaringen als repatriant schreef hij in Het Parool, maar dat nam de vervreemding die hij voelde ten opzichte van het Nederlandse literaire landschap niet weg. Zijn niche werd zijn gevangenis. De Indische gemeenschap concentreerde zich op overleven in Nederland en had weinig aandacht voor de tempo doeloe van Tjaling. Op zo'n manier tussen wal en schip vallen is zuur, maar niet onexemplarisch voor de geportretteerden in dit boek.

Hans Faverey, uit die andere Nederlandse kolonie Suriname, verging het beter. Misschien ook omdat hij in zijn poëzie weinig op had met de worsteling met het vaderland en de eeuwige vraagstukken over identiteit en huidskleur. Zijn poëzie is hermetisch, drijft op een eigenzinnig ritme, dwarse beelden en kan verschillend worden uitgelegd – een tactiek die Faverey bewust toepast om nergens klem gezet te worden, al helemaal niet op het exotische. Het stuk over Faverey van Michiel van Kempen probeert juist wel parallellen te vinden met de Surinaamse ervaring door middel van een Caraïbische lezing van een aantal gedichten, zoals:

Stilstand

In aanbouw, afbraak

In aanbouw, leegte,

Zo statig op haar stengel,

Land in zicht (geblinddoekt).

Dat wordt geduid als een cynisch commentaar op de gang van zijn land richting onafhankelijkheid. Nu zou een lezer die het l'art pour l'art-principe huldigt onmiddellijk zeggen dat het wel erg gemakkelijk is om een van de meest mysterieuze, ingewikkelde dichters terug te brengen tot een politiek commentaar op Suriname. Toch valt er iets voor deze lezing te zeggen. Omdat Faverey zijn poezië zelf zo openlaat (of juist zo dicht; het hangt ervan af hoe je het bekijkt ). Bovendien komt Van Kempen in zijn bijdrage aan deze bundel met genoeg andere voorbeelden die een mogelijke Caraïbische lezing vruchtbaar kunnen maken. Faverey werd bij het uitkomen van zijn debuut (Gedichten, 1968) overigens geplaatst in volstrekt Europese tradities.

Grabbelton

Kunsten in beweging is een grabbelton van interessante personages. Wat te denken van de zwarte acteurs die van hun huidskleur, en van hun volgens Nederlanders typisch zwarte manieren van doen, hun handelsmerk maakten? Was dat allemaal wel zuivere koffie? Verkochten zij hun ziel aan de duivel, waren zij de spreekwoordelijke token nigger? Of moeten ze gezien worden als wegbereiders voor een volgende generatie, en is het zelfs mogelijk om in hun optreden een zwart zelfbewustzijn te zien? Tussen de regels door wordt duidelijk dat de schrijvers op dit soort vragen geen eenduidig antwoord willen geven. Liever gebruiken ze artiesten en schrijvers als een aantrekkelijke kapstok om de thema's racisme, vooroordeel en gender te onderzoeken.

Een voorbeeld van zwart engagement zien we bij de acteur Otto Sterman, die na de oorlog furore maakte met zijn optredens als zwarte voordrachtskunstenaar. Hij was de in 1913 geboren zoon van een Antilliaanse vader en een Amsterdamse moeder. Hij groeit op in Amsterdam en wordt achtereenvolgens fietskoerier, bokser en zweminstructeur en komt uiteindelijk op het toneel terecht. Hij zal daarna vanaf midden jaren dertig de stereotype zwarte rollen spelen in verschillende toneelstukken. Wat het verhaal sterk maakt is hoe Otto Sterman zelf een eigenzinnige draai geeft aan zijn lot als acteur door op te treden met door zijn vrouw geschreven teksten waarin hij zwart zelfbewustzijn gaat uitdragen. Met voordrachten toerde hij door het land. Pas met de komst van de eerste Surinamers naar Nederland raakte zijn act uit de gratie. De actuele gebeurtenissen drukten zijn idealisme weg en lieten zijn goede bedoelingen verbleken. Wrang genoeg marginaliseerde de dekolonisatie het engagement van Sterman. De problemen waarmee veel van deze kunstenaars worstelden, zijn nog steeds actueel: hoe ver ga je om je eigen achtergrond en geschiedenis naar voren te brengen voor een publiek dat er weinig raad mee weet? Waar ligt de grens tussen authenticiteit en exotisme?

Hier komt het archetype van de vreemdeling op de proppen die je als mysterieuze verschijning een andere wereld inlokt. Dat archetype is moeilijk te verslaan, want ze belooft een soort mystiek dat hier te lande schaars is. De mystiek van de vreemdeling is een heel oude. Hij kan een vriend en een vijand zijn; een wonderdokter maar ook een kwakzalver van de ziel. Ergens draagt dit archetype de belofte van onthechting en betovering met zich mee. Daarom was Tjaling Robinson gedoemd te mislukken in Nederland: hij wilde zijn tempo doeloe niet `exotiseren'. Het is bitter als een kunstenaar die een werk uit de verbeelding heeft gemaakt, plotseling ziet dat men vooral oog heeft voor het Sahara-geel en het Marokko-blauw. Wat dat betreft zijn de kunstenaars van dit moment net zo hard bezig om een originele ontsnappingsroute te vinden uit die wurggreep, zoals velen van hen dat in de vorige eeuw in Nederland hebben gedaan.

Rosemarie Buikema en Maaike Meijer: Kunsten in beweging 1900-1980. Cultuur en migratie in Nederland. Sdu, 480 blz. €35,–