Op een ochtend moet je weg

Een voorkeur voor gederailleerde personages kan Michael Kumpfmüller niet worden ontzegd. Zijn vier jaar geleden verschenen debuutroman Hampels Fluchten handelt over de duizelingwekkende avonturen van beddenverkoper en rokkenjager Heinrich Hampel (de Nederlandse vertaling heet Lotgevallen van een beddenverkoper), die verstrikt raakt in een web van financieel verraad en erotisch bedrog. Hij ziet geen andere uitweg dan vluchten naar de communistische DDR.

In de tweede roman Durst, nu verschenen in een voorbeeldige vertaling van Gerda Meijerink, is niets meer terug te vinden van de luchtige toon die het literair geslaagde debuut van Kumpfmüller ook een hoge amusementswaarde gaf. Dit nieuwe boek heeft een gruwelijk thema: een jonge moeder die ten einde raad twee van haar jonge kinderen vermoordt. De schrijver heeft dit gegeven ontleend aan de werkelijkheid. In de zomer van 1999 berichtte de Duitse pers over de jonge Daniela J. uit Frankfurt aan de Oder, die bij een nieuwe vriend was ingetrokken nadat ze twee van haar kinderen thuis in een afgesloten kamer had achtergelaten. Ze kwamen om van de dorst.

Een roman schrijven over dit loodzware thema lijkt een onbezonnen onderneming. Het aantal potentiële valkuilen is groot. Is het niet onvermijdelijk om te moraliseren over zoveel hardvochtigheid en naar het wapen van de psychologisering te grijpen om een verklaring te geven? Ook verwijten van leedexploitatie en effectbejag zijn haast niet te ontlopen. In de Duitse recensies van Durst heeft Kumpfmüller dan ook flink wat over zich heen gekregen, maar niet van de critici die dit boek uitsluitend op zijn literaire merites beoordeelden. Deze recensenten (bijvoorbeeld Thomas Mann-biograaf Hermann Kurzke in de Frankfurter Allgemeine) waren vol bewondering.

Kumpfmüller beschrijft in de roman de dertien dagen tussen het moment dat de vrouw haar kinderen opsluit en de dag dat zij onder politiebegeleiding naar de plaats van het misdrijf wordt geleid. Over de lijdensweg van de twee jongetjes wordt met geen woord gerept. Hun lot functioneert als een onheilspellend fatum op de achtergrond. De roman beschrijft wat de vrouw doet en wat zich in haar hoofd afspeelt. Ook in dat verband spelen de kinderen nauwelijks een rol. Er wordt niets verklaard of uitgelegd, laat staan veroordeeld. Er is geen dader, er zijn geen slachtoffers. Kumpfmüller noteert slechts, als een waarnemer die in het bewustzijn van de vrouw huist, maar tegelijkertijd buiten haar persoon staat.

Het vervreemdende effect van dit procedé wordt nog versterkt doordat de vrouw beheerst lijkt te worden door hallucinaties. Ze leeft in een trance, lijkt geen idee te hebben van wat ze doet: `Op een ochtend word je wakker en dan weet je dat je weg moet, zelfs al is het maar de hoek om'. Het lijkt alsof haar bestaan haar nauwelijks aangaat. Ze leeft in een miemandsland, vertrouwde verbanden kent ze niet, laat staan intimiteit. Haar ouders wonen vlakbij, hebben de voogdij over haar derde kind, maar contact is er nauwelijks. Zo schuifelt ze door het verdorde landschap van haar onthechte leven, niet in staat om te onderscheiden wat echt is en wat niet.

Anonimiteit is de kern van haar gevoels- en gedachtewereld. Kumpfmüller versterkt die indruk door haar lange tijd aan te duiden als `een vrouw'. Pas in de loop van het boek valt terloops de naam `Connie'. De protocolachtige stijl draagt nog extra bij aan de sfeer van kilte en kaalheid. Minutieus beschrijft Kumpfmüller de handelingen van Connie, die vrijwel zonder uitzondering van een grote onbenulligheid zijn. Nadat ze haar kinderen heeft achtergelaten, zoekt ze vertier in haar vertrouwde wereld van losse contacten met mannen door wie ze zich soms laat betalen. Deze kennissen krijgen slechts contouren door hun grove en gemene gedrag. De gesprekken met de enige vrouw die zij haar vriendin noemt gaan onveranderd over mannen en kleren, over seks en geld. Er wordt niet geleefd, de tijd wordt slechts doodgeslagen. Alles is saai en leeg, maar toch weet Kumpfmüller de spanning op te voeren door steeds de suggestie te wekken dat er een moment moet komen waarop Connie beseft wat ze heeft aangericht.

Men zou Dorst een geslaagd voorbeeld van modern literair engagement kunnen noemen. Connie is als vrouw zonder gezicht een moderne Elkerlyck, een anoniem wezen dat op jacht is naar genoegens die haar nooit zullen bevredigen. Niettemin is zij bereid alles op te offeren om aan deze verlangens te kunnen voldoen. Want ook voor die schokkende conclusie schrikt Kumpfmüller niet terug: haar misdaad is een daad van persoonlijke bevrijding. Met de moord op haar kinderen gooit ze de ballast overboord die een nieuw en genotvol leven blokkeert. Haar gedrag is een extreme exponent van een maatschappelijke onderstroom die hunkert naar nieuwe vergezichten van behoeftenbevrediging. Met deze beklemmende roman heeft Kumpfmüller een allegorie van de eigentijdse desolaatheid geschreven.

Michael Kumpfmüller: Dorst. Vertaald uit het Duits door Gerda Meijerink. Ambo/Manteau, 179 blz. €18,95