Lekker luieren tot het gaat sneeuwen

Misschien dacht Boris Ryzji wel dat Lego uit Nederland kwam. Zo vreemd is die gedachte niet. Een klein land met strakke indelingen, een verleden van inpoldering en verkaveling, nog steeds onderhevig aan afbraak, bijbouw en herinrichting: Nederland had heel goed het land kunnen zijn waar de kleine bouwsteentjes waren uitgevonden. Voor een Russische dichter uit het verre Sverdlovsk zal er weinig verschil zijn geweest tussen het aangeharkte Nederland en Denemarken, het ware Legoland. Ryzji was nog nooit in Nederland geweest toen hij in 2000 werd uitgenodigd voor een optreden bij Poetry International. Dit is wat hij zijn zoontje toen schreef: `Als ik terugkom uit Nederland, geef ik je Lego, / en dan bouwen we samen een prachtig kasteel.' Het is een mooie belofte. We kennen de kleine jongen niet, maar we mogen aannemen dat hij zich verheugde op dit vooruitzicht. Mooi is ook de tegenstelling tussen groot en klein: kasteel en bouwsteentjes, vader en zoon, Rusland en Nederland.

Ik weet niet hoe het gedicht in het Russisch klinkt, maar voor de Nederlandse lezer klinken er allerlei levensliedregels mee. Van Willy Alberti bijvoorbeeld, die zijn dochter Willeke in een duet laat weten: `Niemand laat zijn eigen kind alleen, je bouwt het liefst een muurtje om haar heen.' Of van Heintje, die zong dat hij later huizen en kastelen ging bouwen, voor zijn mama. De beginregels van Ryzji roepen al haast vanzelf de melodie op van `Als de lente komt, dan stuur ik jou / tulpen uit Amsterdam.'

De levensliedtoon zal het gedicht van Ryzji tot het eind blijven begeleiden. `Ik ging weg voor altijd', schrijft hij zijn zoon, maar om die bittere pil te verzachten voegt hij er gauw aan toe: `maar terug zal ik komen, / en dan reis ik met jou naar de zon en de zee.' Als je niet beter zou weten zou je kunnen denken dat hier een zorgeloze Frans Bauer aan het woord is: `Of we huren gewoon iets goedkoops voor de zomer / en we tellen ons geld en misschien valt het mee.' Of René Froger, die de boel wel eens de boel wil laten: `We gaan leven en luieren tot het gaat sneeuwen.'

Optimisme

De zoon wordt iets moois voorgehouden, maar hij voelt vermoedelijk wel aan dat de toekomst hier iets te zonnig wordt voorgesteld. `En als zoiets niet lukken mocht eventueel – / nou, dan stuur ik, mijn zoon, je uit Nederland Lego, / en dan bouw je maar zelf een fantastisch kasteel.' Liedtechnisch is het mooi, deze herhaling van de beginregels, met een lichte variant. Er klinkt nog steeds enig optimisme in door, maar tegelijk dient zich een mogelijke mislukking aan. Misschien komt er alleen maar een doos Lego terug, zonder papa. En misschien komt de zoon er dan alleen voor te staan. En misschien is de boodschap dan niet zo opmonterend meer. `En dan bouw je maar zelf een fantastisch kasteel' klinkt al bijna als `en dan zoek je het allemaal lekker zelf maar uit.'

Wat maakt dit gedicht voor mij nu zo treffend? Moeilijk te zeggen. En dat is vermoedelijk ook meteen de definitie van een treffend gedicht: het treft omdat het zich niet meteen laat plaatsen. Er zit sentiment in, humor, iets zangerigs. Wat er zeker ook bij hoort: het kortaffe, resolute gebaar aan het slot waarmee de zaak wordt afgerond. En een gevoel van herkenning, maar van wat? Ik denk dat het zoiets als `de toon' was, die me deed denken aan die van Joseph Brodsky. Ook bij hem de vanzelfsprekende overgang van klein naar groot, van privé naar collectief, van alledaags naar symbolisch. En ook daar het gemak van het spreken, in rijmende verzen. En ook bij Brodsky de stem van een eenzame, een balling, ver van huis en haard.

Het Lego-gedicht is te vinden in Wolken boven E, een bloemlezing van twintig gedichten, in de vertaling van Anne Stoffel, en met een ruime, driedelige inleiding door Kees Verheul: een portret van Sverdlovsk vroeger en nu, de diep in de Oeral gelegen woonplaats van Ryzji; een essay over leven en werk van de dichter; en een verslag van Verheuls eerste en enige ontmoeting met hem, op 21 september 2000. Het zou een mooie veelzijdige introductie tot het oeuvre van Ryzji kunnen zijn, en dat is het ook wel, maar er hangt vanaf het begin een doem overheen. Want de dichter is niet meer. Op 7 mei 2001 bracht hij zichzelf, 26 jaar oud, door ophanging om het leven.

En zo is de introductie ook meteen een in memoriam voor een jong talent. In brede kring snel erkend als een belofte, al heel vroeg winnaar van een belangrijke Russische poëzieprijs, door leeftijdsgenoten meteen gezien als voorbeeld. Daarnaast een reputatie als straatschuimer en vechtjas. Jeugdkampioen boksen. Grootgebracht in een academisch milieu, maar door omstandigheden ook opgegroeid op straat, in een arbeidersbuurt. Een kort leven, met buitensporig drankgebruik, zelfmoordpogingen, afkickkuur en huwelijksproblemen. Bij zijn dood was zijn zoontje zeven jaar. Ryzji liet bij wijze van afscheidsbrief deze tekst na: `Ik heb van allemaal gehouden, geen flauwekul! Jullie Boris.'

In bijna alle twintig gedichten komt drank voor. Meestal spelen ze zich af op straat, of in parken, rond bankjes waar gebruikers rondhangen of hun roes uitslapen. `En op een bank in 't park sliep, dronken, / hoofd op een krant, een manspersoon' heet het al meteen in de eerste strofe van het eerste gedicht. Maar daarop volgt ook meteen de eerste wrange grap. Terwijl die man daar ligt te slapen, speelt de hele nacht iemand anders op een saxofoon. Dat lijkt Ryzji ook wel wat: hele nachten saxofoon spelen in een park, terwijl andere zuiplappen hun roes uitslapen, zonder iets te horen.

Spelen om niet gehoord te worden: dat is typische Ryzji-humor. Een mengsel van zelfspot, zelfmedelijden, treurigheid en absurde humor. Daarbij hoort ook: straattaal, stoere praat, kroeggelal, verheerlijking van de eigen misère. In een van de gedichten beschrijft Ryzji een nachtelijke surveillance door vier politieagenten. Ze zien bij een winkel een kerel op een bankje liggen. Ze vertrouwen het niet, komen behoedzaam dichterbij, maar zien dan wie het is: `O, t is niks, zegt dan de plisie / voordat men de tocht hervat, / dat is dronken Borka Ryzji, / beste dichter van de stad.'

Tijdreiziger

Kees Verheul citeert een Moskouse criticus die in Ryzji `een uitgesproken outsider met een beschadigde ziel' zag. Die buitenstaander is hier overal terug te vinden. Soms neemt hij de gedaante aan van een tijdreiziger die er niet bijhoort en naar het leven kijkt als naar een oude film die hij overal kan stopzetten of op een ander moment weer verder kan laten gaan. Met nostalgie heeft dat denk ik niet veel te maken, eerder met een besef van isolement en leegte. `Wat ben ik al lang op aarde' is een typerende uitroep van Ryzji, alsof hij het niet helemaal geloven kan. Opmerkelijk is ook zijn verbazing over `de oneindigheid van het verleden', alsof daar een vluchtweg was die het heden of de toekomst hem niet kan bieden.

Ryzji kan in eenvoudige woorden zeggen wat er in hem omgaat. `Geen ene reet', `godverju', `verdomd' en `wat zeg ik' zijn enkele van de spreektaalwendingen in zijn gedichten. Maar hij kan ook, in de tram, gezeten tussen dronkelappen, schoolkinderen en druk pratende moedertjes opeens oog hebben voor `het kielzog van tollende blaadjes' buiten. Deze vermenging van stoere praat en kwetsbare ziel maakt deze poëzie denk ik zo bijzonder. Zelfkant, geweld, dronkenschap – en muzikaliteit. Gore praat – en poëzie. Spot – en zelfspot.

In een lang drinklied zien we de dichter in een `roze rokerige kroeg' zijn eigen leven overdenken. Dit is een van zijn conclusies: `Dus een dichter ben ik niet geworden, / en ik weet, ik word er nooit meer een.' Wat moeten we daarvan vinden? De mislukte dichter richt zich tot de drinkebroers om hem heen: `Heren, zeg eens, vindt u dat in orde? / Maar de heren drinken voor zich heen'. We zullen nooit weten wat de Sverdlovskse kroeglopers ervan vonden dat Ryzji op die avond had besloten afscheid te nemen van het dichtersvak. De mannen gaan door met voor zich heen drinken. Ze `zwijgen, huilen en omhelzen meisjes, / drinken weer en zwijgen allemaal, / ritmisch hoofden schuddend op de wijsjes / blèren ze op rijm hun schuttingtaal.' Ik zie het helemaal voor me. Schuttingtaal, laveloos blèren, maar wel: op rijm. Dus toch nog, aan het eind, een vorm van poëzie, zowaar gevangen in een rijmend gedicht, van een dichter die zojuist heeft verkondigd af te zien van zijn dichterschap.

Zo'n lied geeft een mooi beeld van straatschuimer en dichter Ryzji. Een losgeslagen bestaan, een losgeslagen dichterschap. Hij zag zijn gedichten als wolken, wolken boven de stad. Vandaar de titel van deze kleine bloemlezing: Wolken boven E. E is Ekaterinburg, de Russische naam voor Sverdlovsk. In de nalatenschap van Ryzji schijnen zich nog meer dan duizend van zulke mooie, vervaarlijke wolken te bevinden.

Boris Ryzji: Wolken boven E. Gedichten. Vertaald uit het Russisch door Anne Stoffel. Met een ten geleide van Kees Verheul. Hoogland & Van Klaveren, 74 blz. €14,50