Kijk de witte kerels recht in de ogen

Zo schuchter en ingehouden als de eerste twee romans van Christine Otten waren, zo expressief en vrijbuiterig oogt haar derde. Ook in omvang steekt De laatste dichters zijn voorgangers naar de kroon: Blauw metaal (1995) en Lente van glas (1998) passen er ieder met gemak twee keer in. De veel lossere toon, de fragmentarische en overrompelende manier van vertellen en de bepaald onkinderachtige teneur van veel van de episodes doen de rest. Otten is, negen jaar na haar debuut, eindelijk uit haar schulp gekropen, zo lijkt het.

De schijn bedriegt hier wel een beetje, want net als in haar vorige boeken stelt zij zich ook deze keer dienstbaar op, – dienstbaar ten opzichte van de muziek. In Blauw metaal liet Otten een paar jongeren de Britse popgroep Fairport Convention nareizen. De held van Lente van glas was John Cale, zij het ook op afstand. De laatste dichters is zelfs in zijn geheel gewijd aan een muzikale beweging, die in 1968 voor het eerst van zich liet horen. De zogeheten Last Poets, opererend vanuit Harlem, New York, worden wel beschouwd als de grondleggers van de hiphop. Otten documenteerde zich voor haar roman door uitgebreide gesprekken te voeren met deze zingende en rappende zwarte dichters, en met hun familieleden.

Zelf komt Otten, met de haar nog steeds kenmerkende bescheidenheid, in het stuk niet voor.

Zij laat anderen aan het woord, al of niet tussen aanhalingstekens, zij geeft achtergronden, citaten, parafrases, accenten, sfeerbeelden, feiten. Zonder haar zou dit boek er uiteraard niet zijn geweest en zou waarschijnlijk niemand ooit nog van Abiodun Oyewole, Gylan Kain, Don Babatunde Eaton of van Jalal hebben gehoord. Otten heeft niet de neiging zichzelf op de voorgrond te plaatsen, als vragensteller of zelfs maar als ooggetuige. Het ontbreken van een duidelijke verteller geeft aan de toch al behoorlijk grillige roman nog een extra mysterieus tintje: alsof al die anekdotes, herinneringen, weeklachten en schuldbekentenissen zomaar uit de lucht zijn komen vallen.

Het leest niet altijd even prettig, moet ik zeggen, die bonte mengeling van teksten in een nogal willekeurige volgorde. Bij ieder nieuw fragment moet de lezer zich opnieuw schrap zetten. Wie is deze `ik' of `hij' nu weer? En wat zou hij nu weer op zijn kerfstok hebben? En is deze straatschuimer, vrouwenversierder of dronkelap nu een van die befaamde Dichters of juist niet? Pas gaandeweg wordt een beetje duidelijk hoe het zit en blijken we vooral te worden ingevoerd in de levens van enkele leden van de groep: Umar Bin Hassan, Abiodun en Felipe Luciano.

Afrikaanse roots

Ottens aanpak om de meer of minder chaotische teksten voor zich te laten spreken, heeft als duidelijk voordeel dat het witte element wordt uitgewist. Alles draait hier om zwarte mensen, om een zwarte visie op de wereld, om zwarte poëzie en muziek, waarin misstanden aan de kaak worden gesteld en waarin andere niggers worden opgeroepen om niet langer bij de pakken neer te zitten, maar om in te grijpen in het maatschappelijk bestel en een betere positie op te eisen. De poëzie werd, zo stelde men zich dat voor, op deze manier teruggegeven aan de mensen, nadat zij zich vele jaren in een ivoren toren had bevonden. Het was de tijd van de Black United Front, de terugkeer naar Afrikaanse roots, de Black Panthers, van acties tegen de Ku Klux Klan en van een islamitisch bewustzijn, ook bij ongelovige zwarten. Dat laatste verklaart ook waarom Jerome Huling, een van de Dichters die wij goed leren kennen, zich geen Jerome meer laat noemen, maar de naam Umar aanneemt, Umar Bin Hassan.

Deze Umar, in zijn jeugd een timide schoenenpoetsertje, leerde al vroeg van zijn vader dat je `die witte motherfuckers' recht in de ogen moet kijken, omdat ze daar niet tegen kunnen. Later scheldt hij zelf op `die witte klootzakken' van de politie.

Wit is de afwijking en zwart is hier volkomen vanzelfsprekend de norm. Dat is geen geringe prestatie van Otten, die zich misschien wel een beetje zwart heeft gevoeld tijdens het schrijven, maar het toch zeker niet is. Dat betekent overigens niet dat hier de boodschap wordt verkondigd dat zwarte mensen altijd leuk met elkaar omgaan. Gylan Kain introduceerde het fraaie woord untogether. `Niggers are very untogether people' dichtte hij in 1967, twee jaar na de moord op Malcolm X, door aanhangers van de Black Muslims. We zien onder meer hoe Umar andermans vriendin probeert af te kapen, we zien hoe Felipe als middelbare scholier in een gang zat die andere zwarte jongens en complete families bedreigde en zonodig aftuigde. En we zien hoe de meeste Dichters, die zelf vaak al zonder vader opgroeiden, hun vrouw en kinderen verlaten om elders een nieuw gezinnetje te gaan stichten.

Ook binnen de groep van Laatste Dichters was de saamhorigheid soms ver te zoeken. Al snel na het eerste succes, een plaatopname in 1968, ontstonden de eerste troebelen. Men betwistte elkaar het recht zich `Last Poet' te noemen, vriendschappen werden opgezegd en later werden grovere middelen – een hamer, een injectienaald en een pistool – ingezet om elkaar het zwijgen op te leggen. Ook wantrouwt men elkaar soms omdat de een zich `zwarter' waant dan de ander, ongeacht de huidskleur. Dan kan Jalal verbitterd over Kain zeggen dat hij niets gelooft van wat hij zegt over `niggers en shit'. `Kain is een mietje, een pussy. Die blik van hem. Volgens mij haat hij zichzelf. Hij wilde me nauwelijks aankijken... Omdat ik lichter ben dan hij...' Sommige Dichters bezweken bijna aan hun cocaïne-, crack- of alcoholverslaving, anderen konden niet met geld omgaan of maakten er thuis een zootje van.

Afkoelingsperiode

Toch kwamen ze later, na een flinke afkoelingsperiode, in een iets uitgedund gezelschap en ondanks hun teleurstelling over de uitgebleven revolutie, weer bij elkaar om te dichten, te zingen en op te treden. Want het artiestenbloed verloochent zich niet en ook niet het besef woordvoerder te zijn van een heel volk. `Fuck het rassenvraagstuk', zegt Umar tegen Abiodun in februari 2002, moe om altijd maar weer ten strijde te moeten trekken. Maar ruim twee jaar later, in Assen of all places, tijdens een tournee door Nederland, samen met Christine Otten, hielden ze hun publiek toch weer voor dat zij, de Nederlanders dus, bevrijd zijn, terwijl in Amerika de black folks al vierhonderd jaar aan hun lot worden overgelaten. Zo stond onlangs te lezen in een verslag in Trouw.

Hoe belangrijk deze Laatste Dichters in Amerika nu zijn en hoe groot hun invloed precies is geweest op de huidige rapgeneratie, wordt niet echt duidelijk in de roman. Hun platen zijn verkocht, hun optredens door een enthousiast publiek bezocht en ook hebben ze een keer een tournee door Europa gemaakt, in klein comité, maar ik vraag me af of ze veel meer dan een marginaal bestaan hebben geleid, als collectief. Ook vermoed ik dat hun faam eerder te danken is aan hun podiumcharme, aan de zang en aan het opzwepende ritme van de begeleidende drums dan aan de gedichten zelf, die soms grappig zijn en meteen aanspreken, maar vaak ook in de lucht blijven hangen: `We are the friends to the tears that have nowhere to go' en andere quasi diepzinnige regels.

Belangrijker is natuurlijk wat Otten in deze roman met de Dichters en hun turbulente levens heeft gedaan. Zij heeft hetzelfde nagestreefd als de Dichters: iets moois maken van iets dat lelijk is. Zij lieten zich door rassendiscriminatie en andere misstanden inspireren tot opzwepende, ritmische voordrachtskunst. Op een enigszins vergelijkbare manier slaagt Otten er uiteindelijk in om uit al die chaotische brokstukken levensgeschiedenis die zij uit al die monden optekende, het ene brokstuk nog schokkender, pijnlijker en gewelddadiger dan het andere, een indringend en zelfs ontroerend beeld op te laten rijzen van een wispelturige, zwarte dichters- en muzikantengroep, die misschien geen wereldfaam heeft weten te verwerven, maar weerbaar genoeg is gebleken om heel wat stormen te doorstaan.

Christine Otten: De laatste dichters. Atlas, 448 blz. €22,50