In het spookhuis Amerika

Deze week verscheen het nieuwe boek van de politico- loog Samuel Huntington, die tien jaar geleden opzien baarde met `Clash of Civilizations'. Hij maakt zich zorgen over de Amerikaanse identiteit. Multiculturalisme en Spaanstalige immi- granten dreigen de natie regelrecht op te blazen, maar zijn zijn aanbevelingen niet erg defensief?

In één fundamenteel opzicht mag je Amerika vergelijken met landen als Egypte, India of Israël. Het zijn allemaal landen met een dominante en prominent aanwezige godsdienst, die alle uithoeken van het dagelijks leven bestrijkt. Bijna negentig procent van de Amerikanen beschouwt zichzelf als christen, eenzelfde score haalt de hindoe-religie in India en de islam in Egypte, het joodse geloof valt in Israël nog net wat lager uit.

Europeanen beseffen dat maar half en het valt met Amerika ook niet meteen zo op als in India of Egypte, want daar is het anders en kleden ze zich er ook naar. Amerikaanse taal en cultuur zijn vertrouwd, de Hollywood-enclave zet je doorgaans op het verkeerde been en wie in New York City arriveert vanuit Europa wil nog weleens geloven dat dát Amerika is en daar merk je er niet zoveel van en al helemaal niet op het eerste gezicht.

Maar Amerika is een zeer christelijke natie geworden, opnieuw geworden eigenlijk, en de intensiteit van de verandering heeft het karakter van een aardverschuiving. De religieus-conservatieve beweging van de jaren tachtig en negentig is vergelijkbaar met vroegere bewegingen als die voor de burgerrechten van de zwarten of de emancipatie van de vrouw. Ook die hebben de samenleving ingrijpend veranderd en er is geen reden meer om aan te nemen dat de Great Awakening spoorloos zal overwaaien. John F. Kennedy geloofde nog in een `president wiens opvattingen over godsdienst een private aangelegenheid zijn'. De populistische Democraat Jimmy Carter koketteerde twintig jaar later al met zijn devote protestantisme en de huidige president noemt Christus zijn `favoriete filosoof', want `Christus heeft mijn hart veranderd'. Ook zijn uitdager zag een rol weggelegd voor het geloof in het openbare leven van Amerika.

Vele christenen beschouwen zich als `wedergeboren christen' – ze hebben onderweg het licht gezien. Het voorziet in een persoonlijke behoefte, geeft antwoord op allerlei normen- en waardenvraagstukken en op een of andere manier zijn Amerikanen er ten diepste van overtuigd geraakt dat geloof helpt tegen misdaad, hebzucht, materialisme, verkniptheid, losbandigheid en wat dies meer zij. Of zoals een EO-jongere het hier zou zeggen: `Christus dat voelt goed'.

Dit religieuze reveil in de Verenigde Staten staat niet op zichzelf. Het is zichtbaar in verschillende delen van de wereld, vooral in Afrika en in de islamitische wereld, maar ook wel in Latijns-Amerika en, zij het veel minder, in Oost-Europa. De meest opzichtige uitzondering is West-Europa, waar bijna niemand in engelen gelooft of in de schepping van de wereld in zes dagen. De gevolgen van deze kloof tussen Amerika en Europa overzien wij niet. Te veel is ongrijpbaar, zo weinig in te passen in ons denkraam dat we het liever parkeren als afwijkingen, tijdelijkheden of curiositeiten.

Ruim tien jaar geleden schreef Samuel Huntington het spraakmakende Clash of Civilizations en menige onaangename stelling uit dit boek heeft zich helaas als trefzeker bewezen. Het clasht inmiddels behoorlijk tussen de beschavingen, op de televisiezender Al-Jazira is de clash inmiddels de rode draad in menig praat- babbel- of scheldprogramma, een beetje op zijn Europees-Amerikaans maar dan anders.

De 76-jarige politicoloog van Harvard heeft nu een nieuw boek geschreven, vast en zeker weer spraakmakend en omstreden, gedurfd en onheilspellend: Who are we? Het gaat over de identiteit van Amerika en het recept is vintage-Huntington: met een hele grote greep duidt hij de grote lijnen van de maatschappelijke ontwikkeling en hij lardeert dit met minutieuze statistieken om het veelal apodictische karakter van zijn inzichten en bevindingen wetenschappelijk kracht bij te zetten.

Wetenschappers zetten vraagtekens bij de waarde van het begrip identiteit, maar intellectuelen worden er bovenmatig door geboeid en het heeft soms iets van een heteluchtballon: hij zweeft zolang het gas maar vaak genoeg worden opengedraaid. Huntington doet niet moeilijk en maakt het zich hier even gemakkelijk als destijds met het begrip beschaving: Identiteit is net zoiets als zonde, `hoeveel bezwaar we er ook tegen mogen hebben, er is geen ontsnappen aan'. Hij definieert identiteit als het `zelf-gevoel' (`sense of self') van een groep of een individu. Identiteit bestaat bij de gratie van het verschil en alleen al daarom is het uitgesloten dat alle mensen broeders worden. Alle moderne wetenschappen van de sociale identiteitstheorie tot de sociobiologie onderschrijven de conclusie dat de menselijke psyche en de condition humaine slechts kunnen bestaan bij de gratie van het verschil. De andere groep, de andere natie is al gauw een vijand; rivaliteit, vijandschap en haat zijn oer-behoeftes. Hoewel het in dit boek verder niet ter sprake komt, moge duidelijk zijn dat Huntington weinig heil verwacht van zoiets als de Verenigde Naties, want dat is in feite al een contradictio in terminis. Hiermee is de toon gezet en komt Huntington tot de kernvraag.

Wat is de Amerikaanse identiteit? Ook Huntington zelf zet daar een vraagteken bij, maar hij weet wel wat die wás. En dat was iets heel anders dan de goegemeente ons sedert de jaren zeventig heeft doen geloven. Men heeft ons doen geloven dat Amerika gelijk was aan het Amerikaanse credo, dat wil zeggen: een immigrantennatie waar het geloof in de Verlichting diep verankerd was. De founding fathers staan hierin voor vrijheid, gelijkheid, individualisme, populisme en laissez-faire. In de Amerikaanse grondwet komt het hele woord `natie' niet voor, slechts de aanduiding van `vrije en onafhankelijke staten'. In de volksmond spraken de Amerikanen over `de unie' of `de confederatie'. Nationaal Amerikaans pathos kwam pas aan de oppervlakte na de Burgeroorlog.

Maar dit is slechts het halve verhaal of nog minder, aldus Huntington. Want onder en achter dit credo lag de blanke, Angelsaksische protestantse WASP-cultuur. Amerika was het product van de Puriteinse revolutie en van de Reformatie in Europa, niet, of althans veel minder van de Verlichting. Het was protestantisme van het dissidente soort, van de eindeloos onderling verdeelde denominaties, die zich vonden in een grenzeloos land van leven en laten leven. Dat maakt Amerika anders dan bijvoorbeeld Canada of Australië. De civic religion van de Amerikaanse aartsvaders, het Amerikaanse Verlichtings-credo, was zo beschouwd de buitenbeits op het huis, een soort christendom zonder Christus.

De WASP-cultuur manifesteerde zich in de politiek maar ook in enkele andere wezenskenmerken van Amerikaanse identiteit, zoals etniciteit, ras en taal. Ras was enkele eeuwen lang vanzelfsprekend uitgangspunt van identiteit: zwarten hoorden er niet bij en zodra immigratie uit Azië te omvangrijk dreigde te worden, greep de staat in. Het was `onmogelijk voor hen om te assimileren', aldus het Hooggerechtshof in 1889 en Aziaten vormden derhalve `een bedreiging voor onze beschaving'. De voorkeur ging uit naar Scandinaviërs, Engelsen, Duitsers en toen eenmaal de Amerikaanse aanzuigkracht op Slavische en Latijnse gemeenschappen groter werd, groeide een verlangen naar inburgeringseisen. Het Congres drukte nog middenin de Eerste Wereldoorlog, tegen een veto van president Woodrow Wilson, een bepaalde lees- en schrijftest voor immigranten door. Het aantal katholieken groeide onderwijl gestaag, maar zij schikten zich naar de dominante protestantse cultuur en namen er zelfs trekjes van over, een beetje vergelijkbaar met de Werdegang van het emanciperende katholicisme in Nederland.

Van deze Amerikaanse identiteit is niet zo veel meer over. Ras is geen factor meer. Dat zal ieder mens als een verworvenheid beschouwen en dat is het ook, maar het is nog een stap verder gegaan dan dat. Ras heeft plaats gemaakt voor multiculturalisme en dat dreigt de natie regelrecht op te blazen. `De pogingen van nationale leiders om de natie die zij bestuurden, af te breken, is naar alle waarschijnlijkheid zonder precedent in de geschiedenis', aldus Huntington. Diverse groepen beschouwen zich als sub-culturen met een eigen identiteit, met eigen rechten, eigen belangenbehartigers en zaakwaarnemers. Geëmancipeerde zwarten zijn geen Amerikanen, maar noemen zich op basis van etniciteit Afro-Amerikanen. Ook curricula van scholen zijn aan dit multiculturalisme onderworpen. Inmiddels kunnen de meeste studenten in Amerika afstuderen zonder ooit een cursus westerse beschaving te hebben gevolgd, zo klaagde de oude, wijze Arthur Schlesinger jr. onlangs nog. Het vak is vervangen door vakken als Minderheden, Vrouwenstudies en Derdewereldvolken. We hebben het hier, aldus Huntington, in wezen over `antiwesterse ideologie' of nog kernachtiger: `Multiculturalisme is in essentie anti-Europese beschaving'.

President Clinton was de kampioen van dit multiculturalisme. Amerika heeft, zo zei hij in de aanloop naar zijn herverkiezing, na de onafhankelijkheid en de burgerrechtbeweging een derde revolutie nodig `om te bewijzen dat we letterlijk kunnen leven zonder een dominante Europese cultuur'. Amerikaanse schoolboeken gebruiken in plaats van de uitdrukking `Amerikaanse volk' inmiddels meestal het meervoud `Amerikaanse volkeren'. Al Gore draaide als presidentskandidaat het nationale motto E pluribus unum (`Uit velen één') om: `Uit één, velen'.

Nationale identiteit zoals die bestond wordt verder door allerlei andere ontwikkelingen ondermijnd. Zo is er de immigratie van hispanics, die inmiddels bijna tien procent van de bevolking vormen. Dit is een geheel nieuw fenomeen – zij komen niet binnen langs het Vrijheidsbeeld maar illegaal via gaten in het hek aan de zuidgrens. Hun achterban is vlakbij, hun overweldigende aanwezigheid in enkele regio's groot genoeg om niet te hoeven assimileren en tot op zekere hoogte nemen ze gebieden terug die vroeger van Mexico waren. Huntington is hier buitengewoon bezorgd over. De hispanics, schrijft hij, hebben het over de `Americano Dream', maar `er is geen Americano Dream, er is alleen een American Dream, geschapen door een anglo-protestantse maatschappij.'

Identiteit wordt verder ondermijnd door de elite, zowel de niet zo intellectuele zakenlui als de niet zo zakelijke intellectuelen. Die elite is kosmopolitisch. `De bezitter van aandelen is een burger van de wereld, en niet noodzakelijkerwijze verbonden met een specifiek land', wist Adam Smith al, en de nieuwe golf van globalisering heeft dit verschijnsel alleen maar zichtbaarder gemaakt. De moderne intellectueel pleegt niet het verraad van de jaren twintig door de flirt met autoritair-vitalistische stromingen, de intellectueel van nu ontkent zijn lotsverbondenheid met zijn landgenoten op basis van morele superioriteit en identificatie met de menselijke soort op wereldschaal. `Moralistische transnationalen' noemt Huntington hen met onverholen minachting.

Als Huntington de balans opmaakt, blijft er niet zoveel over. Het Amerikaanse credo bestaat nog wel als bron van identiteit maar de lijm – het protestantisme zonder God – is weg. Wat er dan van dit Verlichtingscredo overblijft is politieke ideologie en dat houdt een natie niet bij elkaar. Daarvoor is emotionele zingeving nodig, het gevoel ergens bij te horen. Dit `ergens' hoort de natie te zijn, maar dat blijft alleen goed gaan zolang de natie wordt beschouwd als de `culminatie van een lang verleden vol inspanningen, opofferingen en toewijding', in de woorden van de Franse filosoof van een eeuw geleden, Ernest Renan. En dit nu is minder en minder het geval.

Behalve het credo dat in het luchtledige komt te hangen, is er in Amerika dan nu het intense geloof. Het is pregnant aanwezig en domineert de ideologische onderstroom van het land. Huntington weet niet goed wat hij ervan moet vinden. Als stichtend element van nationale cultuur schiet het schromelijk tekort, want het is devotie in gedrag, maar losgezongen van de traditionele anglo-protestantse cultuur en leidt voor hetzelfde geld tot Ku Klux Klan-achtige uitwassen.

Ziehier, dus het beeld van Amerika in de analyse van Huntington. Maar wat betekent dit nu nadat 19 islamitische fundamentalisten zich in de Twin Towers en het Pentagon hebben geboord en de natie zo kwetsbaar blijkt als ten tijde van de Britse brandschatting van Washington met bijbehorende paniek in 1814, toen het Capitool en het Witte Huis in vlammen opgingen?

Jaagt dat de Amerikanen niet op één hoop?

In zekere zin ziet Huntington nu de clash of civilizations in een hogere versnelling overschakelen. Nieuwe kwetsbaarheid plus het religieuze ontwaken kunnen leiden tot drie scenario's en Huntington schrijft ze op zoals alleen een onbekookte student of een olympische grijsaard dit vermag: of Amerika volgt het kosmopolitische pad en de wereld herschept Amerika; of Amerika volgt het imperialistische spoor en Amerika herschept de wereld. Voor beide scenario's zijn in Amerika zelf liefhebbers te vinden. Huntington zelf verzet zich tegen het eerste scenario, maakt zich zorgen over het tweede en geeft de voorkeur aan een derde, namelijk naast-elkaar bestaan van verschillende naties en culturen in de hoop op een draaglijke modus vivendi. `Kosmopolitisme en imperialisme proberen de sociale, politieke en culturele verschillen tussen Amerika en andere samenlevingen te elimineren. Een nationale benadering zou erkennen en aanvaarden wat Amerika onderscheidt van die andere samenlevingen. Amerika kan niet de wereld worden en nog altijd Amerika blijven [...] Amerika is anders en dat verschil is goeddeels gedefinieerd door zijn anglo-protestantse cultuur en godsdienstigheid.' Hij hoopt als het ware dat datgene wat hij zo mist in de huidige Amerikaanse identiteit weer opnieuw tot leven kan worden gewekt.

Huntington is een toegewijde en bezorgde Amerikaan. Maar door dit boek heen loopt net als in zijn Clash of Civilizations een bijna deterministische doem. Ook hier weer duiken zinnetjes op als `geen samenleving is onsterfelijk' of `uitstel van ontbinding'. Deze flirt met de opkomst-en-ondergangstheorieën is verleidelijk, menig student geschiedenis zal bij een eerste kennismaking met Toynbee en A Study of History door een gevoel van opluchting zijn gegrepen: alles krijgt een plek en valt op zijn plaats. De werkelijke interactie van beschavingen blijkt vervolgens echter oneindig gecompliceerder en dynamischer. Snelheid van communicatie, effectiviteit van consolidatie hebben dit eeuwenoude proces van ontmoeting en confrontatie tussen beschavingen inmiddels tot een wereldwijde aangelegenheid gemaakt met, in de woorden van de grote synthese-historicus William McNeill (laatste boek The Human Web), een `cumulatief karakter'. De blokken van waaruit de grote bedreigingen voor het dus kennelijk neergaande Westen komen – de islam, China – zijn zelf geen statische, eendimensionale monolieten.

De natie als enig collectief en emotioneel plechtanker voor geborgenheid en veiligheid is een concept vol vraagtekens. Een mens heeft een overlevingsinstinct en zoekt zijn heil elders, wanneer de natie-staat niet kan leveren. Zo kan een mens theoretisch zelfs zijn toevlucht tot de Verenigde Naties nemen wanneer daar betere kansen zouden bestaan om schurkenstaten in te tomen dan bij de eigen staat.

Te midden van de vele treffende analyses en waarnemingen maakt Huntington in Who are we? een bijna bangelijke indruk. Zijn aanbevelingen zijn in feite uiterst defensief. De gekkigheid op de Amerikaanse scholen over de geschiedenis van de indianen is inderdaad zorgelijk, maar de boekhandels in de Verenigde Staten staan ook vol met gedegen en goed geschreven studies over de Amerikaanse geschiedenis. En zelfs wanneer je zoals Huntington niet gelooft in de Verenigde Naties als toekomstig alternatief voor de natiestaat – en daar is veel voor te zeggen – dan hoeft de natiestaat nog niet per definitie het enige en exclusieve alternatief te zijn. Dat is het in werkelijkheid ook maar honderd jaar geweest. Zeker, de natiestaat is bij uitstek geschikt om maatschappelijke veiligheid te verschaffen die een burger nodig heeft te midden van grote veranderingen en acute dreigingen en crises. Overal waar het nationale verband verzwakt, zie je de index van onderling vertrouwen dalen, zie je participatie teruglopen en een vlucht naar voren in populisme en referenda. Dat zijn zorgelijke ontwikkelingen en hier heeft Huntington zeker een punt, maar het kunnen ook overgangskrampen zijn in plaats van de voorboden van de ondergang. En trouwens, Amerika heeft juist op het terrein van populisme en directe democratie, dus de instrumenten van laag-vertrouwen-samenlevingen, de beste en historisch goed gewortelde tradities.

Maar de natiestaat heeft in vele delen van de wereld geen exclusieve positie meer. Het zoeken naar nieuwe bestuursverbanden is volop aan de gang, het woord governance wordt al net zo vaak gebruikt als het woord government. Dit is weliswaar een hachelijke aangelegenheid en het is wijs dit te onderkennen in plaats van almaar blindelings de vlag uit te steken voor alles wat de saamhorigheid op nationale schaal aantast. Maar Huntington blijft al en met al toch te zeer de construerende politicoloog die met zijn schop geschiedenis opgraaft en er een eigen spookhuis van bouwt – een goed spookhuis, net echt, maar een spookhuis. Bezwaren en kanttekeningen dus genoeg bij Huntingtons boek en diens gegoochel met het fantoombegrip identiteit. Maar hij prikkelt en biedt verrassende, nuttige en zinvolle doorkijkjes.

Who are we? leert ons dat Amerika bezig is een geheel ander land te worden. Dat weten we allang, maar beseffen we nog lang niet.

Samuel P. Huntington: Who are we? The Cultural Core of American National Identity. Simon & Schuster, 448 blz. €26,50. De Nederlandse vertaling Wie zijn wij? komt uit bij Anthos/Manteau op 25 mei, 352 blz. €26,95