Het geraamte blijft over

Hoe prop je een paar levens vol wederzijdse doem en vergeefsheid in nog geen honderd spaarzaam bedrukte bladzijden? Het antwoord verschaft De bastaard, de nieuwe novelle van Manon Uphoff.

We maken kennis met de adellijke bejaarde Arinde, die in het vrijwel lege huis op haar onttakelde landgoed wordt verzorgd door Bastiaan, de bastaard van haar overleden echtgenoot Maurice. Na de vroege dood van haar wettige zoon Thomas (tbc) had zij hem de toegang tot het huis ontzegd, maar die strenge houding heeft zij niet kunnen handhaven nu zij zelf hulpbehoevend is geworden. Alles is toch verloren en vergaan, en temidden van dit verval belichaamt de bastaard nog de meest directe band met vroeger. Zelf heeft de bastaard er altijd onder geleden dat zijn `eerstgeboorterecht' nooit is gehonoreerd, maar nu kan hij zich heerser over het landgoed wanen. Zo houden beider illusies elkaar in wankel evenwicht – totdat Arindes dood aan alles een einde maakt.

Wat een verhaal om in 2004 te vertellen!

Je vraagt je af wat de schrijfster bezield kan hebben om met zo'n melodrama (ik verzin de term niet, hij staat in de flaptekst) te komen aanzetten. Bastaarden, eerstgeboorterecht, aristocratisch verval, tbc – is er iemand die van zulke zaken nog wakker ligt? In de negentiende eeuw (waarin het verhaal zich grotendeels lijkt af te spelen, al ontbreekt een precieze datering) was dat ongetwijfeld anders. Maar waarom dit alles opgerakeld? Uit nostalgie? Omdat Thomas Rosenboom en Allard Schröder met min of meer verwante historische romans veel succes hebben gehad?

Ik sla Manon Uphoff hoog genoeg aan om dit laatste motief buiten beschouwing te laten. De aantrekkingskracht van deze novelle (en van zijn in nagenoeg identieke vorm gepubliceerde voorganger De vanger uit 2002) moet voor haar dus ergens anders in zijn gelegen. Maar waarin?

Ik vermoed: in de reductie van een lijvige roman tot een sfeervolle novelle. Korte verhalen zijn tenslotte haar fort; zelfs haar enige roman Gemis (1997) bestaat in feite uit enkele losse schetsen. Met het verhaal van De bastaard had iemand moeiteloos een forse naturalistische roman kunnen schrijven. Uphoff heeft dat uitdrukkelijk niet gedaan, en daarvoor mogen we haar dankbaar zijn. Naturalistische melodrama's die het uithoudingsvermogen van de lezer op de proef stellen, zijn er al meer dan genoeg. In geconcentreerde, tot novelle gezuiverde vorm, waarbij alleen de essentie bewaard blijft, zijn ze heel wat beter te genieten.

Maar dan nog blijft de naturalistische opzet, met al die bovengenoemde atavistische en eerlijk gezegd nogal clichématige elementen. Dat is een verschil tussen deze nieuwe novelle en zijn voorganger. In De vanger wordt namelijk niet een complete roman samengevat; daarvoor is het verhaal over de fatale verhouding tussen de erfgename en de timmerman, in weerwil van de tragische ontknoping, te klein en te beperkt. En dat werkt: er hoeft niet veel te worden uitgelegd, de simpele intrige is duidelijk genoeg van zichzelf, zodat suggesties voldoende zijn en het resultaat bijna geheel uit sfeer lijkt te bestaan. Even ongrijpbaar als onontkoombaar.

Voor De bastaard gaat dat helaas minder op. Het verhaal is ingewikkelder, met als gevolg dat er meer ruimte besteed moet worden aan beschrijving en explicatie, al was het maar om de lezer in staat te stellen de diverse personages uit elkaar te houden. Uphoff beperkt zich immers niet tot de laatste levensdagen van Arinde, ook de hele voorgeschiedenis, met allerlei details over haar spilzieke echtgenoot Maurice, haar verwende en destructieve zoon Thomas en bastaard Bastiaans latere vrouw Natalja, wordt uit de doeken gedaan. Daardoor blijft er niet zo veel te raden over en dringen de gemeenplaatsen zich naar de voorgrond. De reductie weet de essentie te bewaren, maar het verhaal zelf krijgt iets van een afgekloven geraamte.

Wat die essentie zou moeten zijn, wordt bovendien niet zozeer gesuggereerd als wel voorgekauwd in een korte prelude. Het leven is in essentie tijdverspilling, lezen we daar in een paar zinnen, en dat blijkt inderdaad de voornaamste slotsom te zijn waartoe Arinde komt tegen het eind van haar leven. Alleen overgebleven met de bastaard, de belichaming van Maurice's ontrouw die haar leven heeft vergald, wordt zij geraakt door het besef dat ook hij ouder is geworden. Iedereen verliest op zeker moment `jeugd en onsterfelijkheid', iets wat ze al eerder had gezien in het `grijze gezicht' van haar zieke en jong gestorven zoon. En dan staat er: `Als ze ooit een boek zou hebben geschreven, zou het daarover zijn gegaan. Over haar kind, het gefluister, getinkel van bestek en kopjes op een zomeravond, en hoe een huis er dan uit ziet, als je van buiten naar binnen kijkt, en de tafels ziet, en de lege stoelen, en de lampen'.

Dat is natuurlijk wel weer mooi, een beetje raadselachtig, opgeschreven. Want waar zou dat boek nu precies over zijn gegaan? Over het niet gemerkte voorbijgaan van de tijd of over de momenten die je desondanks – zij het slechts als buitenstaander – kunt betrappen? In haar novelle weet Manon Uphoff beide aspecten te verenigen. Dat rechtvaardigt ook tot op zekere hoogte de greep die zij heeft gedaan uit de literaire voorraadkast van het naturalisme: zij maakt gebruik van oude gemeenplaatsen, zonder zich ermee te identificeren. Wat zij wilde zeggen liet zich kennelijk het beste uitdrukken met dit belegen materiaal.

Het geeft de novelle, ondanks de onmiskenbaar serieuze inzet, het karakter van een pastiche. Ook de overeenkomsten met zijn voorganger wijzen in die richting. In De vanger gaat het eveneens over een huis, over traditie, over man, vrouw en kind, en over iemand die wordt buitengesloten – alsof beide novellen zijn geschreven als variaties op een vooraf gekozen thema. Maar of dat echt zo is, en zo ja, wat het voor de betekenis van de afzonderlijke teksten met zich meebrengt, kan pas duidelijk worden als straks de derde novelle verschijnt, die in de flaptekst van De bastaard wordt aangekondigd.

Manon Uphoff: De bastaard. Podium, 90 blz. €10,–