Handboek biedt vijf eeuwen ogentroost

Menigeen reageerde geschokt toen Wim Crouwel midden jaren zestig met zijn grid-alfabet op de proppen kwam. Anno nu oogt het als een vermakelijk spel met leesbaarheid in plaats van een specimen van Crouwels intentie architectuur, industrieel ontwerpen en typografie onder een en dezelfde noemer te brengen. Een utopie, zoals er vele zijn getraceerd en nauwkeurig beschreven in Dutch Type dat een overzicht biedt van Nederlandse letters: vanaf het begin van de boekdrukkunst, circa 1450, tot en met de digitale revolutie die al vijftien jaar door letterland raast.

Tegenwoordig lijkt elke zichzelf respecterende grafisch vormgever en web-designer, net als in de periode tussen de twee wereldoorlogen, opeens te verlangen naar een eigen, digitale, letter. Dat levert naast frivole fratsen niet zelden knallende oogpijn op. Frivool is letterontwerper Lucas de Groot (1963) als geen ander (zie www.lucasfonts.com), maar hij weet oogpijn op het nippertje te voorkomen. Zelden ziet men zulke spannende en tegelijk gewiekste alfabetten – een feest om naar te kijken. De Groots vernuftige oplossingen voor de stokken en staarten van letters, een eeuwig probleem, zijn razendknap. Niet voor niets geniet zijn werk internationaal (Brazilië, Duitsland, Frankrijk) waardering en erkenning.

Niets lijkt aan de adelaarsblik te zijn ontsnapt van Jan Middendorp, een in Gent gevestigde vormgever die voor dit boek talloze vraaggesprekken voerde met letterontwerpers van diverse pluimage. Zelfs de bijzonder obscure letter Petronius, eind jaren zestig voor eigen gebruik ontworpen door de surrealistische schilder J.H. Moesman, schittert door aanwezigheid. Lovenswaardig is tevens dat de auteur niet opnieuw de bekende grote namen, van S.H. de Roos tot J. van Krimpen, van Gerard Unger tot Bram de Does, in het overbekende zonnetje zet. Integendeel; eindelijk is er ruimhartig aandacht voor de revolutionaire, om niet te zeggen duizelingwekkende, lettervrijheid die de computer biedt. Weliswaar spat de pc-ongein soms van de pagina's; soms is er echter heuse ontroering door geslepen amateurisme (Mark van Wageningen) of niet minder heuse nostalgie (Piet Schreuders' Poezenkrant). Netjes wordt gemeld op welke website wat is te vinden en de auteur waarschuwt, in het colofon, keurig voor inbreuk op het copyright der letterknutselaars. `Aspiring type designers are encouraged at all times to try to conceive their own letterforms instead of copying those created by others.' Veel zal dat niet uithalen, vrees ik, grafisch vormgevers zijn nu eenmaal notoire gauwdieven en met een paar muisklikken is een digitale letter eenvoudig te annexeren. Na het downloaden er even een simpel bewerkingsprogrammaatje op los laten en hopla: weer een nieuwe letter erbij.

Onbedoeld grappig is het hoofdstuk over het Noordzij-imperium. Stamvader Gerrit Noordzij, decennia achtereen chef van de afdeling typografie van de Koninklijke Academie in Den Haag, staat bekend als een gevreesd drammer, maar zijn uitspraak `ik trek geen talent aan, als leraar wakker ik het slechts aan' is ontwapenend. En bovendien waar: zijn zoons Christoph en Peter Matthias, beiden bevlogen letterontwerpers, leveren voortreffelijk werk. Het komische is dat zij met verve de digitale snelweg bewandelen, terwijl pa niet uitgekeken raakt op de schuin afgesneden ganzenveer.

Dutch Type is een ongewoon gedegen, somptueus in kleur geïllustreerd handboek. En omdat er, naast muziek en seks, weinig prettiger is dan ogentroost, is het tevens een belangrijk boek. Onbegrijpelijk dat het ondanks subsidies van de Mondriaan Stichting en het Prins Bernhard Cultuur Fonds alleen in een engelstalige editie is verschenen.

Jan Middendorp: Dutch Type. Uitgeverij 010, 320 blz. €62,50