Geachte Staatssecretaris,

Amsterdam, 14 mei 2004

U heeft het advies gekregen om Het Toneel Speelt te subsidiëren met ruim honderdduizend euro, te voegen bij het bedrag dat het gezelschap de afgelopen jaren al kreeg. Met enige goede wil zou daarmee de totale subsidie op driehonderdduizend euro uit kunnen komen.

Wie het advies van de Raad voor Cultuur leest en Het Toneel Speelt gevolgd heeft, kan zijn ogen nauwelijks geloven. Eindelijk lukt het een gezelschap om een gestage reeks volwassen producties van gloednieuwe, Nederlandstalige tragedies en komedies neer te zetten, en vooral: onder de aandacht van een steeds groeiend publiek te krijgen – en dan blijken Uw adviseurs met geen woord te reppen van de bijzondere aard en het grote belang van deze prestatie. Waar adviseurs zo naast de realiteit kunnen kijken, nemen wij de vrijheid om U nogmaals te adviseren.

Wat er op het spel staat is een organisatie waar schrijvers van Nederlandstalig toneel zich, zonder hun literaire ambities te verloochenen, thuis kunnen voelen als bij een inspirerende uitgeverij. Waar ze er zeker van zijn dat ze gespeeld worden door topacteurs, die een schat aan ervaring in het werken met levende schrijvers hebben opgebouwd. Waar ze in handen vallen van taalbewuste regisseurs, die gericht zijn op inhoud. Maar boven alles was Het Toneel Speelt, onder de bezielende leiding van initiatiefnemers Hans Croiset en Ronald Klamer, de plaats waar schrijvers keer op keer het tijdrovende, verborgen en geheimzinnige traject van idee tot volwaardig drama hebben kunnen afleggen.

Tussen plan en voorstelling strekken zich vaak jaren uit van ideeënuitwisseling, research, luisteren naar acteurs, slijpen van versies, ontwikkeling van verhaallijnen. De basis van een toneelstuk is de persoonlijkheid van de auteur, maar anders dan bij de meeste literaire vormen, schrijft hij voor vertolkers. Voor mensen die het moeten doen. Het Toneel Speelt heeft zich afgelopen acht jaar ontwikkeld tot een waar auteurstheater. Dat is alleen mogelijk dankzij een wisselwerking tussen makers, vertolkers, uitvoerders en schrijvers. Die wisselwerking, vrucht van een geduldige ontwikkeling, is de schat die nu versjacherd dreigt te worden.

Intussen heeft het gezelschap een unieke band ontwikkeld met een groot aantal schouwburgen en vooral: met een publiek dat is gaan ervaren dat een nieuw Nederlands stuk iets opwindends en eigensoortigs is – vergelijkbaar met de verschijning van een belangrijke roman. Tegelijkertijd heeft het aan de rijke historie van de Amsterdamse Stadsschouwburg een nieuwe historie van gedenkwaardige premières toegevoegd, wereldpremières, welbeschouwd. Het Toneel Speelt werkt in een traditie die met de productie van Vondelvoorstellingen (Lucifer, Jozef in Dothan) tot leven is gewekt.

Het zou vanzelf moeten spreken, maar het moet in ons toneelklimaat telkens weer worden uitgelegd: de kern van een vitale toneelpraktijk is de taal, de kunst van de dialoog in de eigen taal, het oor voor toneeltaal, dat altijd een oor voor levende spreektaal is.

Het Toneel Speelt heeft ongewone successen kunnen boeken: Een sneeuw en Braambos (Willem Jan Otten), Familie en Cloaca (Maria Goos), Het licht in de ogen (Ger Thijs), Een zwarte Pool (Karst Woudstra) en De verlossing (Hugo Claus) hebben bij elkaar meer dan 250.000 bezoekers getrokken. Andere producties (Beneden de rivieren van Ger Thijs, Jefta en Stervelingen van Benno Barnard) waren welbezochte succès d'estime.

Het Toneel Speelt is, toegegeven, een vreemde eend in de toneelbijt. Het heeft zijn staat van dienst vrijwel zonder overheidssubsidie opgebouwd. Maar nu moet het de volgende stap zetten – naar structurele aanwezigheid. Opdat ook de schrijvers hun volgende stap kunnen zetten – naar groter gemonteerde producties, meer personages, epischer vertellingen, en wijdere vergezichten.

Met een ongewone ernst en onbekommerde moed zocht het gezelschap de grote zalen op om daar een publiek te vinden dat één groot verlangen heeft: naar mensen kijken. Geloven in wat het ziet. Personages van vlees en bloed meemaken, verwikkeld in scènes en dialogen die de taal van het hart spreken.

Het Toneel Speelt moet daarmee door kunnen gaan. Wij adviseren U het advies van de Raad met gepaste verbazing terzijde te schuiven, en Uw en onze zegeningen te tellen. In zekere zin wordt U een buitenkans geboden – iets wat met veel talent en besef van traditie ontwikkeld is tot bloei laten komen. Om het in feestelijke termen te gieten: waren literatuur en theater, dankzij Het Toneel Speelt, eindelijk op een kansrijke wijze verloofd, nu kunt U ze in de echt verbinden.

Met de meeste hoogachting,

Robert Anker, Maarten Asscher, Benno Barnard, Tjeerd Bischoff, Hans Maarten van den Brink, Hugo Claus, Anna Enquist, Esther Gerritsen, Maria Goos, A.F.T. van der Heijden, Mieke de Jong, Oek de Jong, Moniek Kramer, Tomas Lieske, Marga Minco, Nicolaas Matsier, Vonne van der Meer, K. Michel, Ramsey Nasr, Nelleke Noordervliet, Tonnus Oosterhoff, Huub Oosterhuis, Willem Jan Otten, Connie Palmen, Daan Remmerts de Vries, Kees Roorda, Elmer Schönberger, Rob Schouten, Laurens Spoor, Ger Thijs, Frans Thomése, Jan Veldman, Annelies Verbeke, Michaël Zeeman, Joost Zwagerman.