Familiedrama

Guus Middag luistert naar Nederlandstalige liedjes. Vandaag naar `Moeders laatste briefje' van Marianne Weber. Deze hitsingle komt uit de levensliedfabriek van niemand minder dan Johnny Hoes.

Ik had het nieuwe lied van Marianne Weber al wel een paar keer gehoord, maar het was nog niet goed tot me doorgedrongen. Daarvoor klonk het ook te veel als een dertien-in-een-dozijnliedje, uit de levensliedfabriek van Johnny Hoes. Een opgewekte stem, een combo dat er zin in heeft, vrolijk schetterende accordeonriedeltjes links en rechts: na een paar seconden waan je je al ergens aan een haven, in een klein café, gevuld met havenzangers.

Inhaken, meedeinen, meezingen. Zo'n soort lied leek het mij, totdat ik het hoesje in handen kreeg. Mijn aandacht werd getrokken door het leuke hoofd van Marianne en haar mooie witte jasje dat is versierd met wat ik wel een glitterknoopjesbies zou willen noemen, maar nog veel meer door de achtergrond. Daar was een deel van de tekst van het lied zichtbaar, gedrukt in een handschriftfantasieletter. De bedoeling was duidelijk: daar zagen wij als het ware de authentieke brief waar het lied zijn titel aan ontleende.

Ik schrok toen ik de eerste regels las. Dit was helemaal geen vrolijk meezinglied over liefde en slapeloze nachten en ,,ik lag zo naar jou te verlangen''. Dit was een akelig schrijven van een moeder aan haar zoon. De beginregels vallen met de deur in huis: ,,Lieve zoon, ik laat je weten/ dat mijn dagen zijn geteld.'' Een zielige moeder voelt zich door haar zoon in de steek gelaten. ,,Dat je mij zo bent vergeten/ is wat mij het meeste kwelt'' schrijft zij hem, en ze zal het op allerlei manieren blijven herhalen. ,,Maanden heb ik zitten wachten/ tot je weer eens komen zou./ Ik heb in slapeloze nachten/ menigmaal gehuild om jou.''

Moeder is de laatste maanden door alle vormen van ellende gegaan. ,,Eenzaamheid en pijn'' heeft zij gevoeld, ,,in zak en as'' heeft ze gezeten, en nu is ze ,,oud en ziek''. De trouweloze zoon zal het weten ook. Met haar laatste krachten haalt moeder haar laatste resten vilein naar boven. ,,Als je deze hebt ontvangen/ zal ik er wel niet meer zijn'' deelt ze hem fijntjes mee. En: ,,Misschien voel je spijt/ als je staat bij mijn graf.''

Wat heeft die jongen nu helemaal misdaan? In de slotregels komt de aap uit de mouw. ,,Kind'', zo voegt moeder hem in haar laatste woorden toe, ,,je had me nooit vergeten/ als jij arm gebleven was.'' Hier ontplooit zich alsnog het familiedrama. De zoon heeft ooit in zijn leven het grote geld ontmoet, heeft het ouderlijk huis verlaten en heeft daarna nooit meer omgekeken naar zijn arme moedertje. Moraal: geld vervreemdt zonen van hun lieve moeders.

In het refrein zingt moeder nog wel ,,Dag jongen, vaarwel,/ ik heb je vergeven'', maar dat gelooft niemand. Uit alles blijkt dat dat niet het geval is. Zoals trouwens ook uit alles blijkt dat zij nog helemaal niet zo ver heen is als zij hem wil doen geloven. Deze levenslustige stem die moeiteloos vier coupletten van vier regels en tweemaal een refrein van acht regels weet te zingen, op kroegsterkte, met de voorgeschreven snikken en uithalen, komt overduidelijk niet uit een sterfhuis.

Het staat er niet, maar we zien het wel voor ons: de rijke zoon trekt maar weer eens zuchtend zijn dikke portemonnee, na het lezen van moeders zogenaamde laatste briefje. ,,Die zuipschuit gaat ook maar door hè'', zegt hij nog tegen zijn secretaresse. Hij stopt een bankbiljet in de enveloppe, drukt er een gele memosticker op en schrijft: ,,Dit is míjn laatste briefje.''

Een fragment van `Moeders laatste briefje' is te beluisteren via www.nrc.nl