Europeanen werken te kort en leven te lang

Oudere werknemers willen eerder stoppen met werken, maar moeten langer doorgaan wegens de kosten van de vergrijzing. De OESO-ministers hebben vergaderd over deze `zorgelijke discrepantie'.

De cijfers voor de dertig lidstaten verschillen. Gaan Hongaarse en Turkse (mannelijke) werknemers gemiddeld op 54,5-jarige leeftijd met pensioen, in IJsland en Mexico is dat 68 jaar. Nederland zit met 58,5 jaar aan de lage kant.

Oudere werknemers willen eerder ophouden met werken, maar juist hun langere deelname aan het arbeidsproces is van essentieel belang om de hoogoplopende kosten van de vergrijzing het hoofd te bieden. Want niet alleen werkt de werknemer korter, dankzij de verbeterde gezondheidszorg leeft hij ook langer – als gepensioneerde.

Deze, in de woorden van minister Brinkhorst (Economische Zaken) ,,zorgelijke discrepantie'' was een van de thema's op de ministersconferentie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), gisteren en vandaag in Parijs. Brinkhorst fungeerde op de conferentie als vice-voorzitter. Minister Hoogervorst (Volksgezondheid) nam deel aan een parallel gehouden forum over de gezondheidszorg.

De `rijkelandenclub' OESO fungeert vooral als denktank voor de dertig aangesloten landen en presenteerde eerder deze week haar jaarlijkse Economic Outlook, een inventarisatie van de stand van de economie. De OESO constateert momenteel sterk en duurzaam economisch herstel – ofschoon minder sterk in Europa. Maar de Europeanen moeten zich volgens de OESO vooral zorgen maken over een toekomst met veel, relatief gezonde, ouderen die op relatief jonge leeftijd van hun oude dag willen genieten. Zonder daarbij te hoeven werken.

In een recent uitgebrachte studie wijst de OESO op de noodzaak van ingrijpende maatregelen om de trend om te buigen die zich de afgelopen decennia vooral in Europa heeft afgetekend: de voortgaande vergrijzing gekoppeld aan afnemende deelname van ouderen aan het arbeidsproces.

Volgens minister Brinkhorst is voor overheden die worden geconfronteerd met vergrijzing de belangrijkste uitdaging oudere werknemers te stimuleren langer door te gaan met werken. Daartoe zouden er volgens hem sterkere stimulansen moeten worden geboden en `impliciet' lagere belasting bij doorwerken in de leeftijd tussen 55 en 65. ,,De prikkel moet worden weggenomen om eerder op te houden'', aldus de minister.

Over de stimuleringsmaatregelen verschillen de OESO-lidstaten van mening, erkende de Mexicaanse conferentievoorzitter minister Derbez (Buitenlandse Zaken). Brinkhorst zelf wil voorshands in Nederland niet verdergaan dan het minder aantrekkelijk maken van VUT- en prepensioenregelingen. Dat is ook de inzet bij het komende Voorjaarsoverleg met de sociale partners.

Maar Brinkhorst zegt evenmin uit te sluiten dat er fiscale stimulansen voor oudere werknemers zullen komen: een premie op doorwerken in de vorm van lagere belastingen. ,,Dit is een denkmodel. Het kabinet wil een bepaalde richting uit, de sociale partners komen er niet uit. Als minister van Groei wil ik dat dit op de agenda blijft staan. Maar we beginnen met het ontmoedigen van vervroegd pensioen.''

Op lange termijn, zo meent Brinkhorst, zou de pensioenleeftijd of de hoogte van het pensioen moeten worden aangepast aan de toenemende levensverwachting. De balans tussen werk en pensionering is in de afgelopen decennia verschoven. Bracht in 1960 een Nederlandse werknemer nog 60 procent van zijn leven werkend door en 20 procent als gepensioneerde, in 2000 waren die percentages 50 en 25 procent. De percentages zijn volgens Brinkhorst representatief voor de ontwikkeling in de meeste OESO-landen.

,,Merkwaardig dat in de Tweede Kamer niet of nauwelijks over dit thema wordt gesproken'', constateerde Brinkhorst in Parijs, ,,terwijl het hier bij OESO wordt gezien als iets van de hoogste urgentie.'' De minister sprak in dit opzicht over Nederland als een ,,naar binnen gerichte samenleving''.