Een vlottend ik

Volgende week vrijdag krijgt Cees Nooteboom in het Letterkundig Museum de P.C. Hooftprijs uitgereikt. Het `willen weten' is wat hem drijft.

Cees Nooteboom (1933) staat bekend als een reiziger en wie hem wil interviewen merkt dat het waar is. Hij is er nooit. Heel soms landt hij even, maar dan heeft hij een krankzinnig druk programma helemaal vol openingen, presentaties, lezingen en wat een gevierd schrijver zoal meer moet doen, en daarna is hij weer weg. Naar Duitsland voor een toernee langs boekhandels, naar Spanje om zich in zijn huis op zijn eiland te verstoppen. Heel soms is hij een uurtje thuis. Dan kun je even met hem praten. Hij praat graag. Hij vertelt anekdotes, hij geeft overwegingen, hij heeft opinies over de wereld in het groot en in het piepklein, hij praat over wat hij gezien heeft aan tentoonstellingen van symbolisten tot opnieuw beschilderde Griekse beelden, over foto's, over kerstdiners en bevriende uitgevers, over gehate critici, over jam uit New Foundland, over bewonderde dichters, over films, boeken, de oorlog in Irak, een tocht langs Japanse tempels, het zelf, de geschiedenis, de levenslust. Als het niet oneerbiedig klonk zou je zeggen dat hij een grabbelton was, een eerbiedwaardige grabbelton dan, en overigens is een grabbelton een van de leukere attracties.

Als je ziet wat hij allemaal schrijft, en wat hij blijkt zoal gelezen te hebben, dan begrijp je bijna niet dat er nog tijd overblijft om te reizen. Maar dat moet men andersom zien, zo blijkt: ,,Je hebt de tijd als je reist, dat is wat mensen niet begrijpen'', zegt hij. Reizen leidt hem niet af, houdt hem niet op, integendeel, reizen is een soort lezen en een soort schrijven tegelijkertijd. ,,Reizen is essayistisch. Die stukken uit De omweg naar Santiago, dat zijn essays in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Het schrijven ontwikkelt zich tijdens het schrijven.''

Ja goed, reizen is essayistisch, dat kan men wel zeggen, maar dat ligt toch meer aan de reiziger zelf. Reizen, en de schriftelijke vastlegging daarvan, kan tenslotte ook heel goed sociologisch zijn, of journalistiek. Dat laatste wil de Nooteboom-reiziger zeer beslist niet, hij briest zelfs zachtjes als hij het woord in de mond neemt. ,,Die reisverhalen zijn wel begrepen als een soort journalistiek, maar ze komen toch nú nog uit in vertaling, ze gaan nu in Engeland twee delen met reisverhalen uitgeven. Als je de actualiteit als de essentie van een plek probeert te beschrijven dan kan wat je schrijft blijven, dan wordt het vanzelf weer geschiedenis.''

Laat ons eens kijken naar die inderdaad essayistische stukken in het reisboek De omweg naar Santiago. Gevuld met Spanje. Een Spanje barstensvol Romaanse kerken, middeleeuwse kloosters, bewerkte stenen portalen, muurschilderingen, barstensvol tekens uit andere tijden die Nooteboom wil kunnen lezen. Waarom eigenlijk?

Tja waarom. Hij weet wel wat het niet is: ,,Als je je bezig houdt met ruïnes, met het verleden, met wat verdwenen is, dan krijg je vaak als kritiek te horen dat je door melancholie gedreven wordt, of door nostalgie. Dat is het voor mij niet. Het is willen weten. Ik heb eens een gedicht geschreven, `Silesius droomt', waarin Silesius droomt dat de ziel twee ogen heeft: `Het ene kijkt naar de uren, het andere/ ziet er doorheen,/ tot waar de duur nooit meer ophoudt'. Je hebt zowel het kortstondige als het durende. Vroeger schreef ik over politiek, toen over kunst. Tot het in Berlijn bij de val van de Muur weer echt om politiek ging. Het gaat mij om de fenomenologie van de wereld zoals die zich aan je voordoet. En aan de andere kant heb je de transcendentie – die ik niet in een systeem zou willen vangen.''

Reincultuur

Toch reist hij steeds weer naar de plaatsen waar de transcendentie wel degelijk in een systeem gevangen is. Al die kerken. Al die kloosters.

Nooteboom: ,,Je hoeft niet in de systemen te geloven om op zoek te gaan naar de plekken waar de toestand het langst constant gebleven is. Contemplatieve orden, of het nu om trappisten gaat of om zenboeddhisten, plaatsen zich letterlijk in uitzondering, ze bestaan in een reincultuur. Zij leven in een onveranderlijke cyclus, of eigenlijk in een dubbele cyclus, die van het liturgische jaar, en die van de liturgische dag. Buiten heerst de lineaire geschiedenis: revolutie, marxisme, wereldoorlog, maar die cycli gaan gewoon door. Het enige wat hen bedreigt is slijtage.

,,In Allerzielen vindt een gesprek plaats tussen twee personages, de ene laat de andere een ansichtkaart zien van een Pruisische koningin. Daarbij zegt hij: `Iedereen zeurt over verdwijnende diersoorten maar over verdwijnende attitudes hoor je nooit wat. Deze vrouw had nooit een bikini kunnen dragen.' Wie andere kleren draagt loopt anders, beweegt zich anders, ís anders. Je ziet het ook op oude foto's. Vormen van bewustzijn die er niet meer zijn. Dat zijn dingen die me bezighouden. De fenomenologie van het verleden.

,,Als je vaak in Spanje bent, dan lees je nogal eens in de krant over aanslagen. Het is een oorlog, zegt de ETA, dus hebben ze, vinden ze, het recht om een pasgetrouwde man voor de ogen van zijn jonge vrouw neer te schieten. Het wordt allemaal heel grafisch verslagen, de aanslag, het slachtoffer, je krijgt ook de nabestaanden te zien en de begrafenis en dan verdwijnt zo'n vrouw weer van de krantenpagina's. Maar zelf verdwijnt ze niet. In een boek over de geschiedenis van Spanje zijn al die mannen en vrouwen onzichtbaar, verdwenen. Je kunt zeggen: dat is vanzelfsprekend, maar ik denk: iemand moet het er toch over hebben. Daar gaat Allerzielen ook over, over het idee van de herinnering, de geschiedenis, de terreur.''

En dan bromt hij toch weer: ,,Om dat nu altijd maar weg te schuiven als melancholie.'' En hij moppert ook wat over de kritiek, die hem soms zo slecht begrepen heeft. Maar over de lezers geen kwaad woord, en die onzin dat hij `verguisd' zou zijn, daar wil hij ook niets van weten.

Catastrofe

Nooteboom wil in de geschiedenis het heden zien, zegt hij. Je kunt allerlei lijnen doortrekken van vroeger naar nu. ,,Van daaruit denk ik dat je een hedendaagse gebeurtenis kunt doortrekken naar de toekomst. Niets gaat ooit op en klopt ooit echt, maar toch is er vaak een parallel, bijvoorbeeld tussen Bush die Irak binnentrekt en Napoleon die Moskou ook zo makkelijk binnentrok en de catastrofe die daar toen op volgde. Napoleon werd gewaarschuwd door Talleyrand. Al voor de oorlog in Irak begon, schreef ik in de NRC dat Bush helaas geen Talleyrand had. Overigens was het antwoord van Napoleon om Talleyrand te ontslaan.''

Om precies te zijn schreef hij in januari 2003 het volgende: ,,Een Talleyrand zou tegen Bush gezegd hebben dat hij over de duistere schaduw van Saddam naar de rest van de islamitische wereld moest kijken, waar de perceptie van een nederlaag kan uitmonden in de terreur van de wraak. Maar Talleyrand kon Napoleon ook niet tegenhouden.''

Wil hij dan al wat van de toekomst zien of begrijpen?

,,Zo kun je het niet zeggen'', zegt hij. ,,Als je de daden van de mensen in het verleden bestudeert, weet je in ieder geval met wat voor soort je te maken hebt. Beter dan als je, op grond van je ervaringen met westerns waarin het goede overwint, een land binnentrekt om daar het heil te brengen. En dan krijg je van Frankrijk, waar ze wel weet hebben van geschiedenis, te horen: `doe het niet, wij kennen ze – en onszelf.'''

Het `willen weten' zei hij, is wat hem drijft. En wie iets wil weten, heeft een vraag. Zo'n vraag kan alomvattend zijn, en niet te beantwoorden, en toch, of juist daardoor, de motor vormen van de nieuwsgierigheid, of de levenslust zelfs. Nooteboom heeft ook zulke vragen: ,,Wat de wereld is en hoe de wereld is. Waarom de wereld er überhaupt is – en waarom hij er is zoals hij er is. Dat zijn vragen waar je niet elke dag aan denkt, natuurlijk, maar het zijn wel de vragen waar het over gaat.

,,Als je over de wereld denkt als een creatie, dan is het een krankzinnig ontwerp. Dat een schepper heeft gedacht: ik maak blanke, gele en zwarte mensen, sommigen krijgen tachtig goden, anderen maar één, sommigen mogen geen varkens eten etc. De mensen worden daar letterlijk gek van. Het is heerlijk als je voor die verscheidenheid een passe-partout bedenkt, zoals de islam, het hiernamaals, de dialectiek. Wat mezelf betreft, ik denk dat er door alles heen één fundamenteel begrip is waarop alles drijft: de levenswil.''

De passe-partouts die bedacht zijn, de filosofische en religieuze systemen, die interesseren de schrijver wel. De mythe, de fictie lijken hem aanzienlijk meer te verheugen dan de feiten zonder die kleren aan. In het gedicht `Xenofanes' kijkt de dichter naar een fossiel, en treedt als het ware in gesprek met de Griekse natuurfilosoof Xenofanes, die veronderstelde dat alles uit water en aarde voortkwam. Die veronderstelling bevalt de dichter:

En ik, met mijn betere weten,

ruil mijn geërfde gelijk voor jouw antwoord.

Zoveel hoger is vragen dan weten

dat ik mijn kennis beklaag.

Nooteboom: ,,Die natuurfilosofen zaten het heelal uit te denken – dat moet een fantastische tijd geweest zijn. Je vraagt je wel af hoeveel je zelf vastgesteld zou hebben als je in die situatie was geweest. Oorspronkelijkheid is zoiets verbijsterends. Ik ben nogal geïnteresseerd in Wallace Stevens en zijn `supreme fiction' oftewel opperste fictie: de dichter in zijn specifieke wereld bedekt de werkelijkheid met zijn fictie. Die eerste ideeën die de mensen hadden waren zelfbedacht, die hielden iets fictiefs. Je kunt je voorstellen hoe ze daar zaten, dat knarsende denken. Daar is weinig van overgebleven.

,,Er zijn nu nog twee soorten vragen: de oude, `wie zijn we', `wat doen we', en de nieuwe, de wetenschappelijke vragen die uitsluitend nog door experts te beantwoorden zijn. De oude vragen zijn alleen maar interessanter geworden. We zijn het middelpunt niet meer, we zijn door wat we nu weten veel minder dan we honderd jaar geleden waren. Ik denk dat iemand die zich die oude vragen niet stelt, er bijna niet is.''

Het is duidelijk dat Nooteboom geen postmodernist is, met zijn vanzelfsprekende praten over `de werkelijkheid' die bedekt zou kunnen worden met de fictie van de schrijver. Geen sprake van een werkelijkheid die een fictie ís, of van een talige werkelijkheid of al dat soort dingen. Het interesseert de schrijver ook niet, dat soort filosofie. ,,Dan maar geen postmodernist. Dat er toch zoiets is als de werkelijkheid, lijkt me evident. Ik heb in Het volgende verhaal ergens geschreven dat het lichaam het beroep heeft om ons in de wereld te vertegenwoordigen. Dan ga je toch wel uit van een wereld. En van een `ik'.''

Dat laatste is trouwens niet een welomschreven ding bij Nooteboom. Het zelf of het ik slaagt er zelden in een constante, samenhangende indruk te geven, ook niet, of juist niet, voor degene die erover spreekt als `ik'. In Het volgende verhaal staat daarover bijvoorbeeld het volgende: ,,Een bundel samengestelde, steeds veranderende omstandigheden en functies waar we `ik' tegen zeggen. (-) we doen alsof het onveranderlijk is, maar het verandert voortdurend, tot het opgeheven wordt.'' En in het gedicht `Zelf' vraagt de dichter: ,,En als we ons zelf/ nu eens achterlieten?''

Nooteboom: ,,Ik riep eens de hulp in van mijn vriend Rudiger Safranski om de herkomst van een motto van Friedrich Schlegel te achterhalen, dat ik wilde gebruiken voor Zelfportret van een ander. Hij zei toen: Waarom neem je niet wat je zelf geschreven hebt: `Zielsverhuizing vindt niet na, maar tijdens het leven plaats.' Aan de ene kant is er waarschijnlijk de persoon die je nooit meer kwijtraakt, aan de andere kant is er een vlottend ik. Ik weet niet wat belangrijker is – het constante of het wisselende.''

Het motto van Schlegel is nu achterin `Zelfportret' opgenomen: ,,Ich wollte zeigen, dass die Worte sich selbst oft besser verstehen als diejenigen, von denen sie gebraucht werden.'' (,,Ik wilde laten zien dat de woorden zichzelf soms beter begrijpen dan degenen door wie ze gebruikt worden.'') Volgt een sprongetje terug naar de onvertaalbaarheid van het Zelf-gedicht. In het Frans, of in enige andere Romaanse taal, kan men zijn `zelf' niet achterlaten, alleen maar zijn ik.

Nooteboom: ,,Dan moet je je afvragen wat het verschil is – het `ik' is maar een deel van het `zelf' zou ik zeggen. Er moet toch een manier zijn om dat uit te drukken, ook in andere talen.'' En dan moet er weer even iets verdedigd of rechtgezet worden: ,,Als je zo met taal bezig bent kun je toch zeggen dat je poëzie `talig' is – al heb ik een hekel aan dat woord. Probeer het trouwens maar eens in een andere taal te zeggen.''

Ornitholoog

Academici. Critici. Die hem wel eens niet `talig' genoeg hebben gevonden. ,,Ik denk soms dat het een groot voordeel is dat Lucebert, Kouwenaar, Campert allemaal geen academici zijn. Er zijn ook geen vogels die ornitholoog zijn.''

Laat ons dan toch maar even praten over de kritiek, over de twee Nooteboomen: de schrijver in het buitenland, en dan vooral in Duitsland, en de schrijver die hij hier is.

,,Men zeurt er altijd zo over dat ik in het buitenland wel gewaardeerd zou worden en in Nederland niet. Dat is helemaal niet zo. Ik heb pech gehad met sommige critici. Het is ook zo'n vervelende Nederlandse gewoonte dat je een criticus hebt die eindeloos aan je blijft klitten, tien, vijftien jaar. Als iemand niets in je werk ziet, laat hij dan over iets anders gaan schrijven. Als ik besprekingen krijg uit Italië is het steeds weer van iemand anders. Ik roep hier blijkbaar veel vooroordelen op. In Duitsland heb je heel andere reacties, van buiten de speelplaats, dat is weldadig. Ik heb in Duitsland ook heus wel eens een slechte kritiek gehad, maar ik heb daar meer het gevoel dat ik word aangesproken op hetzelfde niveau.

,,Toch is het voor een auteur het belangrijkste wat er in eigen land gezegd wordt. In je eigen land groeit je publiek en de reactie op je werk mee. In het buitenland beginnen ze bijvoorbeeld met je vijfde boek, en dat veroorzaakt daar dan de schok van het nieuwe. Dan nemen ze eerst een ouder boek en dan gaan ze weer naar voren, je wordt daar volstrekt sprongsgewijs en onlogisch gelezen. Geen van de kritieken uit het buitenland raakt je zo als de kritiek van hier. De manier waarop je organisch verweven bent met de Nederlandse literatuur, dat is iets heel anders dan een Italiaan die eens een keer een boek van je leest.''

En dan doet de kritiek er ook eigenlijk niet zo toe en zitten we naar een aboriginal-schilderij te kijken dat Nootebooms vrouw onlangs in Australië kocht, een vrijwel zwart schilderij met heel kleine blauwe puntjes dat wel van fluweel lijkt en de beschouwer geheel opslorpt. Het is een nachtelijk landschap, zegt de schrijver. En hij vertelt over hoe hij daarover aan het lezen is, over de aboriginal-cultuur, en over hoe fascinerend dat is, en je ziet weer goed hoe hij het boek van de wereld wil lezen, de bibliotheek van de wereld moet je zeggen, met al die verschillende boeken, stemmen, kennis, herinneringen, mensen, manieren van leven.

Hij zegt: ,,Willem Brakman heeft gezegd: reizen maakt dom – maar ik vind dat je er veel van opsteekt.'' Hem leidt het niet af van waar het om zou kunnen gaan, integendeel, hij is voortdurend daar waar hij wil zijn. Zoals hij in de Omweg naar Santiago schreef: ,,Ik ga er nu eenmaal vanuit dat ook het minste der wereldse verschijnselen het grote geheel weerspiegelt.'' Dan heb je altijd wat te lezen.

    • Marjoleine de Vos