Een eigentijdse traditionalist

In juni stapt Riccardo Chailly op als chef-dirigent van het Concertgebouworkest. Hij heeft zestien jaar gewijd aan het in ere herstellen van de grote Amsterdamse muzikale tradities.

Het jaar 1988 was een historisch jaar in het Amsterdamse muziekleven. Het Concertgebouw, in 1888 als een N.V. gesticht door particuliere muziekliefhebbers, bestond een eeuw. Op de jubileumdag 11 april werden de renovatie en uitbreiding van het Concertgebouw gevierd met een uitvoering van de monumentale Achtste symfonie van Gustav Mahler onder leiding van Bernard Haitink. Een half jaar later, op 3 november, vierde het Concertgebouworkest zijn eeuwfeest en kreeg bij dat jubileum het predikaat `koninklijk'.

Kort tevoren, op 1 september 1988, was Riccardo Chailly aangetreden als de nieuwe chef-dirigent. De 35-jarige Italiaan was na een eeuw de eerste buitenlander die de leiding kreeg over een orkest dat voordien wereldwijd werd beschouwd als een toonbeeld van een oer-Hollandse muzikale traditie. Hij had vier voorgangers: Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum en Bernard Haitink.

Nu Riccardo Chailly in juni na zestien jaar vertrekt als chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, vallen in een terugblik vooral de vernieuwingen en de veranderingen op die hij met vurig enthousiasme is begonnen en met grote kracht heeft doorgezet: meer eigentijds repertoire en een verbreding van het repertoire, vooral op het gebied van de Italiaanse opera.

Als groot afscheidsproject bij het Concertgebouworkest begeleidt Chailly in juni voorstellingen van Verdi's Don Carlo. Eerder dirigeerde hij onder andere muzikaal opzienbarende voorstellingen van Verdi's opera's Falstaff, Othello en Aida en Puccini's Tosca en Turandot – met het op zijn instigatie door Luciano Berio nieuw gecomponeerde slot. Ook tijdens de Kerstmatinees in het Amsterdamse Concertgebouw dirigeerde hij veel opera.

Evenementen

Nog opvallender was Chailly's gedreven inzet voor de twintigste-eeuwse en de eigentijdse muziek van buitenlandse en Nederlandse componisten. In de Haitink-tijd werden de eenmalige `moderne' C-serie-concerten zeer slecht bezocht. Bij Chailly's Amsterdamse debuut als gastdirigent in die serie zaten in 1985 slechts honderdvijftig muziekliefhebbers in de Grote Zaal. Na zijn benoeming tot chef maakte hij van zulke concerten daarentegen ware evenementen met een volle zaal. Zo dirigeerde hij Keer van Guus Janssen met enorm publiek succes. Een jaar later werd Keer herhaald, nu gevolgd door de jazz-suites van Sjostakovitsj.

Enerverende gebeurtenissen waren ook de vele uitvoeringen van Messiaens Turangalîla-symfonie in 1992. Maar een ronduit elektriserend effect bereikte Chailly met Amériques van Varèse. Ik was erbij toen Chailly deze luide avant-gardistische muziek uit 1926, met onder andere een gierende sirene, voor een duur en wat ouder publiek in Luzern dirigeerde. Chailly behandelde Varèse als de belangrijkste componist aller tijden en na afloop stond de zaal op zijn kop.

Chailly was `hot', het dirigeerplezier spatte van hem af. Maar al leek vooral in de eerste jaren door de vaak euforische stemming rond zijn verfrissende optreden in het Concertgebouw plotseling heel anders dan voorheen, ècht nieuw waren zijn revolutionaire `vernieuwingen' allerminst.

Het Concertgebouworkest had al sinds het begin van de twintigste eeuw een grote traditie in het begeleiden van opera. Henri Viotta, in 1888 de dirigent van het openingsconcert van het Concertgebouw, dirigeerde het Concertgebouworkest in 1905 in de Amsterdamse Stadsschouwburg in Wagners Parsifal. Het was een internationaal opzienbarende, omstreden gebeurtenis, die te boek staat als `de Graalsroof' omdat het werk buiten Bayreuth niet mocht worden uitgevoerd.

Richard Strauss dirigeerde het Concertgebouworkest tussen 1907 en 1934 in voorstellingen van opera's van hemzelf en van Wagner. Het Concertgebouworkest was vanaf 1889 tot 1959 ook het huisorkest van de Nederlandsche Wagnervereeniging en werd gedirigeerd door onder anderen Henri Viotta en internationale topdirigenten als Karl Muck, Richard Strauss, Erich Kleiber, Pierre Monteux en Bruno Walter. En al hield chef-dirigent Willem Mengelberg niet van opera, de Amsterdamse Stadsschouwburg was een halve eeuw lang het filiaal, het operatheater van het Concertgebouw.

Ook op het gebied van de eigentijdse muziek heeft het Concertgebouworkest een groots verleden. Mahler introduceerde hier zijn symfonieën, ook Strauss, Stravinsky, Rachmaninov en Hindemith kwamen naar Amsterdam, net als later Britten, Berio en Boulez. Het Concertgebouworkest speelde veel nieuwe Nederlandse muziek, Mengelberg vierde in 1935 zijn 40-jarig jubileum met een Nederlands Muziekfeest.

Wat Riccardo Chailly deed in Amsterdam was niets anders dan het in ere herstellen van de grote Amsterdamse muzikale tradities. Bij zijn aantreden kondigde hij dat in een interview in deze krant ook aan: ,,Traditie is heel belangrijk, er zijn lessen te trekken uit de historie en een dirigent kan daar niet omheen. Ik wil veel van de Mengelberg-traditie terugbrengen.''

Een nieuwe eeuw

Afkomstig uit een land waar het symfonische muziekleven een nogal marginale plaats heeft, was Chailly gefascineerd door die Amsterdamse orkesttradities en hij heeft ze nog voor zijn aantreden nauwgezet bestudeerd. Hij voelde zich in alles de echte Amsterdamse dirigent van een eerbiedwaardig orkest dat hij met groot elan een nieuwe eeuw wilde binnenleiden.

Riccardo Chailly woonde tot voor kort aan de Keizersgracht in een huis dat werd gebouwd door Van Gendt, de architect van het Concertgebouw. Aan de muur hingen foto's van Nederlandse componisten, zoals Johan Wagenaar van wie hij veel muziek dirigeerde, en een portret van Willem Mengelberg.

Vaak ging hij in het Mengelberg-archief in Den Haag diens aantekeningen in partituren bestuderen. Chailly wilde niet alleen de traditionele klank van het orkest handhaven, maar deels ook de traditionele manier van spelen en interpreteren. ,,Het zou heel egoïstisch zijn om te zeggen: ik doe het op mijn manier. Dat haat ik. Uiteindelijk doe je het toch op je eigen manier, maar je moet je eigen identiteit baseren op de grote lessen van het verleden.''

Marius Flothuis, van 1955 tot 1974 artistiek directeur van het Concertgebouworkest ten tijde van Van Beinum en Haitink, sloeg op tilt bij Chailly's adoratie van Mengelberg. De chef-dirigent die vijftig jaar lang het Nederlandse muziekleven had beheerst en het Concertgebouworkest wereldberoemd maakte, had in 1945 een dirigeerverbod gekregen wegens zijn `Duitsvriendelijke' houding. Mengelberg werd decennialang vrijwel genegeerd of met minachting behandeld. Zijn Matthäus Passion werd wegens de monumentale aanpak en de vele coupures zelfs verketterd.

Inmiddels is Mengelberg weer volop in de aandacht. Cd-uitgaven van zijn plaatopnamen worden over de hele wereld verkocht als `historisch' en `legendarisch'. Mengelbergs vijftigste sterfdag werd door Chailly in 2001 herdacht met een Mahlerconcert: ,,geen rehabilitatie, maar wel erkenning'', zoals hij daar zelf over zei.

Een jaar tevoren had Chailly eigenhandig het verwaarloosde graf van Mengelberg in Luzern weer toonbaar gemaakt. Voor slechts één Amsterdamse traditie zei hij in 1988 te vrezen: de Matthäus Passion. ,,Die doe ik pas een jaar voor mijn overlijden! Het is een van de stukken waarvoor je nooit volwassen genoeg bent.''

De uitwerking van Chailly's traditionele ideeën was uiteindelijk wel degelijk zeer vernieuwend. Zijn persoonlijke interpretaties van Bruckner en Mahler stuitten aanvankelijk op veel weerstand. Publiek en critici konden eigenlijk geen afscheid nemen van de zeer emotionele Haitink-stijl. Chailly zelf gaf later toe aanvankelijk weinig voeling met Mahler te hebben gehad.

Sinds het Amsterdamse Mahler Feest in 1995 was Chailly's Mahler echter onomstreden: indrukwekkend, monumentaal, gedetailleerd, transparant. Maar het voornaamste kenmerk van zijn Bruckners en Mahlers was dat hij de componisten presenteerde als avant-gardisten. Mahler was met de door Chailly benadrukte ongestructureerde klankvelden in zijn late werk zelfs een voorloper van het naoorlogse componeren.

Terugslag

Na de eerste euforische jaren in Amsterdam – tussen Chailly en orkest was zelfs sprake van een `love affair' – kwam de terugslag. Chailly werd door sommigen binnen het orkest verweten te veel uit te zijn op uiterlijkheden en spektakel, zijn technische brille zou ten koste gaan van muzikale diepgang. Het draaide in 1996 uit op een crisis, toen Chailly onenigheid had met Holland Festivaldirecteur Jan van Vlijmen en artistiek directeur Jan Zekveld ontslag nam uit protest tegen een te commercieel beleid.

Later verbeterde de sfeer weer, maar uiteindelijk bleef het steken in onderlinge afstandelijkheid. De orkestleden stelden het bestuur voor om Chailly in plaats van een vierjarige verlenging slechts een nieuw contract voor twee jaar aan te bieden en stelden voor dat zijn aanwezigheid in Amsterdam ,,zoveel mogelijk wordt gereduceerd''. Het leek bijna een herhaling van de conflictueuze laatste jaren van Haitink in Amsterdam.

Een geschilpunt was de uitvoeringsstijl van de Matthäus Passion die Chailly in 1999 in Amsterdam dirigeerde, bij het honderdjarig bestaan van de Matthäus-traditie. Het was voor het eerst sinds Van Beinum dat de Amsterdamse chef-dirigent weer zelf de Matthäus Passion leidde en Chailly had zich daarop ruim voorbereid met uitvoeringen in Zwitserland en Milaan. Chailly kwam met een `derde weg' tussen de symfonische stijl van Mengelberg en de quasi-authentieke speelwijze van Harnoncourt, diep-religieus gevoeld en ontroerend. Terwijl Chailly de Matthäus-traditie wilde vernieuwen, wilde het orkest terug naar de al een kwart eeuw vertrouwde Bach-stijl. Het lijkt wel symbolisch dat Chailly nu uit Amsterdam vertrekt om Gewandhauskapellmeister en Generalmusikdirektor te worden in Leipzig, de stad van Bach, de stad van de Matthäus Passion.