Door een kunstwerk gevloerd

Tijdens haar verblijf in Bergen wordt Helga Ruebsamen gegrepen door een kat op een ansichtkaart. Ze gaat op zoek naar het origineel en de maker, David Kouwenaar.

Begin februari van dit jaar neem ik mijn intrek in het A. Roland Holsthuis in Bergen NH, waar ik de laatste versie zal voltooien van een roman in wording. Mijn goede voornemens gaan vergezeld van een goede voorbereiding.

Ik was op de hoogte van het feit dat het heftig kan spoken in mijn tijdelijke onderkomen aan de Nesdijk. Daarover heb ik beeldende beschrijvingen gelezen van collega's die er eerder waren. Als ik het goed heb onthouden, werd schrijfster Rascha Peper lastiggevallen door de nog altijd in het huisje rondscharrelende Jacques Bloem, eeuwig op zoek naar volle flessen. Dichter Pieter Boskma heeft er geen nacht rustig geslapen zonder eerst een goed gesprek met de geest van A. Roland Holst te hebben gevoerd.

Wie zich in het gastenboek verdiept dat zich in het huis bevindt, zal opwindende rapportages aantreffen. Behalve nuchtere kritiek op meubilair en keukenuitrusting zijn er verbazingwekkende waarnemingen van het nachtelijk gewemel der onstoffelijke wezens. Ach, had ik niet die roman aan mijn hoofd, wat zou ik mij graag, als spookhuiskenner, hebben gewijd aan de bestudering van de spirituele fenomenen in het huis van dichterprins A. Roland Holst.

Al reis ik niet dagelijks rond met een ouida-bord, expert ben ik wel, al was het slechts omdat ik veel tijd in spookhuizen heb doorgebracht, of ik wilde of niet, voornamelijk in Ierland. Hoogtepunt was Renvyle House in Letterfrack, Connemara, het landhuis van Oliver St. John Gogarty, waar de broers William en Jack Yeats, de dichter en de schilder, onder leiding van hun bordurende zusje Lily, die Tarot-specialiste was, de dolende zielen nachtenlang lieten dansen op tafel. Toen ik er kwam, zo'n jaar of dertig geleden, sloop de familie Yeats er inmiddels zelf rond in spookvorm, door de kamers en de gangen, zo werd mij verzekerd. De broers hielden zich kalm, maar Lily was een pestilentie omdat ze de dekens van de bedden trok.

Renvyle House was in die dagen het soort Iers hotel dat liever geen normale gasten ontvangt. Wie zich kon bewijzen als Yeats-specialist en Tarot-kenner kon zich er naar binnen praten, maar mocht vervolgens maandenlang niet meer weg. Daar leerde ik wel hoe men zich met medewerking van een hond spookverschijnselen van het lijf houdt. Iedere hond die begrijpt waarom het gaat, verjaagt zonder pardon alles wat zich bovenzintuiglijk aan ons wil manifesteren.

Hindernis

De beste voorbereiding op een periode van ongestoord werken, desnoods tot diep in de nacht, in het spookhuis aan de Nesdijk, is dat ik mijn hond heb meegenomen. Aan Frodo Terpstra, filmer uit Amsterdam, die met zijn cameraploeg de belevenissen gaat vast leggen van de schrijvers die in dit huisje bivakkeren, vertel ik vol overtuiging dat wat mij betreft iedere hindernis uit de weg is geruimd: laat nu de kat maar komen, mooie jongen die mij nog van 't werk zal houden.

Met de bende van Bloem maakt mijn hond korte metten, maar wie hij niet gemakkelijk wegkrijgt is een Poltergeist die blijft smijten met een klein schilderij dat boven de computer hangt. Telkens als ik plichtsgetrouw aan het bureau ben aangeschoven om eens wat te scheppen, knalt er een portret op de toetsen: een citroengele vrouw, die dunlippig moppert dat het niets zal worden met de mens en dat men zich maar beter kan verhangen.

Joost Zwagerman, zo las ik in zijn bijdrage in het Gastenboek, heeft hier in minder dan een maand niet minder dan zeventienduizend woorden geschreven. Dat moet dus makkelijk kunnen!

Mijn eerste tien dagen in het huis gaan voorbij, de geesten blijven onzichtbaar en zwijgen, maar door de vallende vrouw krijg ik in al die tijd niet meer dan, pakweg, honderdzeventig woorden op papier.

Het is al woensdag 11 februari 2004 als ik me vastberaden met het conterfeitsel van de onruststookster onder mijn arm naar het gebouw van Kunstuitleen Bergen begeef, waar ik vol begrip wordt ontvangen. Jawel, tijdelijke bewoners van het Roland Holsthuis mogen hun onwelgevallige kunstwerken die er hangen ruilen, ik ga mijn gang maar.

Ik dwaal langs de uitgestalde kunstwerken, niet op zoek naar schoonheid, inzicht, uitzicht, bekoring of vermaak, doch naar massa, zo klein dat het kan beklijven aan een minieme haak. Tenslotte sta ik bij de uitgang met lege handen, geen bruikbare wandversiering gevonden, niets dat klein genoeg was, schriel formaat is niet in tel, niet in de letteren en blijkbaar ook niet in de beeldende kunst.

Beleefd blijf ik wat hangen, praatje hier, praatje daar, ik zie de gebruikelijke molen met prentbriefkaarten en besluit er een paar te kopen, zodat ik vanuit Bergen afbeeldingen van Bergense kunstwerken naar vrienden en bekenden kan sturen. Daar draaien ze voorbij, de schilders van de Bergensche School, we kunnen ze wel dromen, al is dat niet altijd een onverdeeld genoegen, Tooroppen volop, daar de charmante zigeunerin van Gestel, maar dan! Wat komt er dan ineens op me af vanuit die molen vol bekende schatten? Godallemachtig, wat is dat ontzagwekkend mooi en swingen doet het ook. De sensatie van een zwarte grijnzende kat, een witte vrouw die terugdeinst: ken ik dit, heb ik dit al eens gezien, mocht ik dit werk eerder aanschouwen, en zo neen, waarom eigenlijk niet?

Wat ik zie is sensueel en sereen tegelijk, er zit muziek en beweging in, de beelden walsen naar me toe en doen alsof ze op het punt staan mij te omhelzen en ik vergeet volledig dat ik te maken hebt met een plaatje. Wordt de aanschouwing een zeldzame totaalervaring. Zie en beleef ik hier dan niet de ultieme uitdrukking van het wezen van de kat, van alle katten die ik ken, alle katten die mijn leven deelden, van wie ik hield en die ik vaker niet dan wel begreep?

Goed, je kunt er lang en breed over orakelen, maar wat het ook is dat me nu overkomt, het lijkt het meest op liefde op het eerste gezicht.

Met trillende vingers pluk ik de onweerstaanbare kat met zijn witte dame uit het rek, en stamel tot de kunstuitleenmevrouw: ,,Wat is dit? Hoe komt dit hier terecht?'' (Ik verkeer in de veronderstelling dat het een kunstwerk is van de hand van een of andere buitenlandse meester, die mij om onduidelijke redenen in mijn kunstbeschouwend leven is ontsnapt...ik ken ook niet alles en iedereen, moet ik eerlijk toegeven, ja, ik sla wel eens wat over, maar dit? Dit had ik eerder moeten zien, hoe komt het dat dit tot nu toe voor mij verborgen is gebleven? Heb ik dan niet altijd goed genoeg uit mijn doppen gekeken? Ben ik soms niet ver genoeg de wereld in geweest? Het zal wel van een onbekende Rus zijn... zo'n van de wereld afgewende, geheimzinnige meester, die gewoon rustig doorschildert en verder schijt heeft aan alles.)

,,O dat is mooi nietwaar'', zegt de mevrouw van de Kunstuitleen, ,,het is La Belle et la Bête van onze David'', zo vanzelfsprekend alsof het gaat om een vergeten paraplu die ik wel mee mag nemen.

,,Onze David?''

,,David Kouwenaar.'' Ze kijkt me vriendelijk aan: ,,De broer van Gerrit, weet je wel?''

De Broer van Gerrit? Noem je een Meester zo? En wat bedoelt ze met weet je wel? Wat weet ik dan wel, als ik niet weet wie David Kouwenaar is?

Ik heb het gebouw van Kunstuitleen Bergen verlaten, zo ten prooi aan verwarring dat ik de ansichtkaart waarom het ging op de balie heb laten liggen.

Gegrepen door de Kunst. Een coup de foudre. Het komt voor, maar niet vaak. Je mag spreken van geluk als je meer dan vier keer of vijf keer in je leven door een kunstwerk wordt gevloerd. Reken de boeken mee die je bestaan op zijn grondvesten deden schudden en tel ook de muziekstukken erbij die zich pijnlijk in je kerfden.

Meestal is het voor je dertigste trouwens wel gebeurd. Daarna komt er niet veel meer bij en op je vijftigste mag je defaitistisch constateren, dat je het allemaal al eens eerder voorbij hebt zien komen.

Bezield dorp

De Kat van David Kouwenaar was onbekend voor mij en blijkt nu tevens een openbaring, misschien kan ik een antwoord krijgen op de vraag, die mij bezig houdt vanaf mijn kinderjaren: waar bleef de Cheshire Kat? Van alle dieren uit de wereldliteratuur heeft de Cheshire Kat het meest tot mijn verbeelding gesproken. Waar ging hij heen, toen hij verdween achter zijn grijns? Het zal me toch gebeuren dat ik ontdek dat hij zich al die tijd verstopte in het `bezielde dorp' Bergen, waar ik nu toevallig ben?

Met een lege muur naast het bureau in het Roland Holsthuis kan niets mij meer belemmeren voort te schrijven aan de roman, waarvan ik een versie heb meegenomen, die zich afspeelt in het jaren-twintig-Berlijn van mijn vader. Maar het lijkt erop dat het lot mij een andere taak heeft toebedeeld en dat Berlijn zal moeten wijken voor Bergen. Want die Kat houdt me bezig. Heb ik het wel goed gezien? Verbeeldde ik me de belevenis niet?

Piet Paaltjens werd verliefd op een gezicht in een passerende trein. Ik werd aangesproken, toegelachen door een kat op een ansichtkaart. Nu mag ik toch niet rusten voordat ik het origineel heb gezien.

De Bergenaren die mij op mij zoektocht behulpzaam zijn, nemen mij niet kwalijk dat ik in hun dorp ben aangetreden met de zelfbewuste overtuiging van de stedeling dat hier niets geschiedt dat hij zou willen weten. Het wordt me niet onder de neus gewreven dat ik dan wel in het RH-huis zit, maar blijkbaar nergens van weet en dat mijn Rus gewoon een Bergenaar blijkt te zijn, onze David.

Dichter Gerrit woont elders en inderdaad, hij is de broer van David maar hem zien ze niet zo vaak, terwijl verder iedereen die ik ontmoet in Bergen me de kunstschilder zou kunnen aanwijzen als hij voorbijkomt. Maar hij komt niet voorbij en dat is tot daaraan toe, als ik zijn kat maar zal kunnen vinden. Katten! wordt me vervolgens op het hart gedrukt.

Er is niet één kat van David K., zeggen de Bergenaren, er zijn er meer, hij werkt nu eenmaal altijd in series. Niet ondenkbaar is dat er wel een stuk of zeven zijn, mogelijk is er zelfs een legioen! En als ik dan toch bezig ben, moet ik ook maar eens een oog wagen, volgens mijn zegslieden, aan de Fietsende meisjes van David en aan de Tuinen en de Jeannes en de Lege stoelen. Dat er evenzovele thema's worden genoemd die me niet zouden mogen ontgaan is natuurlijk niet verwonderlijk, als je beseft dat het gaat over een kunstenaar die al een halve eeuw zit te schilderen in Bergen. Maar die blijkbaar niet zo hard aan de weg heeft getimmerd dat zijn werk overal in Nederland, en in de hele wereld, is te zien.

Er wordt me verteld dat een kunstverzamelende chirurg die in de duinen woont bij Bergen-aan-Zee een kat van David Kouwenaar bezit in de kleuren van de zee. Durf ik daar aan te bellen en brutaalweg te vragen of ik de blauwe kat mag zien? Ik stel gelaten vast dat een mens veel in zijn leven moet missen en dat het misschien een zegen is als hij hier geen weet van heeft.

Uit frustratie houd ik me weer bezig met het eigen werk en bereik de voor mij uitzinnige score van duizend woorden per dag; ook al zal meer dan de helft ervan later worden geschrapt, het is niet slecht.

Toch vind ik mijn verblijf in Bergen niet geslaagd.

Mijn laatste dag in het RH-huis is aangebroken en laat in de avond begeef ik me naar café-restaurant Het Huis met de Pilaren, dat ik tot dan toe heb weten te vermijden, al was het de stamkroeg van de Prins der dichters, zijn tafeltje het tweede links van de deur. Daar zet ik me neer en drink wrevelig een glas, mijn hond schuift onder tafel, de geesten voor zover ze hier al waren wijken. Wat heb ik hier nog te zoeken? Dat ik het er vervolgens op een drinken zet waar die Bloem nog wat van zou kunnen leren, is overdreven, maar ik heb wel voldoende op om niet verbaasd te zijn als tegen sluitingstijd een Bergenaar voorbijkomt, op weg naar de uitgang, die ik onmiddellijk herken van zijn over een halve eeuw uitgestreken zelfportretten, die ik zag toen ik, op prentbriefkaarten en reproducties, zijn Tuinen bekeek, zijn Fietsende meisjes, zijn Jeannes, zijn Lege Stoelen en mijn Kat.

Het lijkt een visioen, maar het is de oude meester zelf, in levende lijve. Is het te laat om naar de Katten te gaan kijken? Hij zegt dat hij niet weet waar ze allemaal zijn gebleven, al sla je hem dood, maar voor kijken is het nooit te laat, misschien zitten er nog wel een stuk of vier in zijn atelier.

Van 16 mei tot 11 juli is er een expositie van werk van David Kouwenaar in galerie De Groene Poort, Middenweg 124, Midden-Beemster.