Directeur met hoed en step

Toneelgroep Wederzijds speelt de komende weken drie kindertoneelstukken over de Zaanstreek. Niet in het theater, maar in de polder, in een molen en op de Zaanse schans.

`Mooie lucht, damp op het land, lekker weertje: palingweer!'' roept Keteltje. De Zaanse stroperszoon zit in een bootje in het Wormerveld. Meerkoeten schreeuwen, het riet buigt onder de wind, de polder ligt breed uitgestrekt. Een lichtblauw gestreepte pyjama wappert aan de lijn. Keteltje houdt van het leven in de polder, maar een vriendje leert hem stiekem lezen en brengt hem enige moraal bij, die hem tegen zijn vader de palingdief zal keren. Ruw trekt de vader dan ook het boek uit de handen van zijn weerspannige zoon en werpt het tussen de meerkoeten: ,,Vooruit de boot in! Anders zal het je beste beurt niet wezen!''

In de vogelpolder Wormerveld speelt Toneelgroep Wederzijds het kindertoneelstuk Keteltje, als onderdeel van het Cor Bruijn-project: drie toneelstukken over de Zaanstreek gebaseerd op het werk van schrijver Cor Bruijn (1883-1978). Alle groepen 7 en 8 van de basisscholen in Zaanstad en Wormerland zullen de komende weken de toneelreeks bezoeken. Ze worden met een boot van de ene naar de andere locatie langs de Zaan gevaren. De andere stukken spelen in de Lassie-toverrijstfabriek en in molen De Bonte Hen op de Zaanse Schans.

In de natte modder van het Wormerveld repeteert de groep enkele dagen voor de eerste kinderen komen. Na het conflict over het boek dwingt de vader Keteltje om mee te gaan stropen; andermans fuiken leegroven. Volgens de tekst begint het te stormen. Deze meidag is het echter zonnig en droog. Het bootje ligt stil in een bak met water, waar een technicus net wat slierten kroos in heeft gedrapeerd. ,,Ik heb een nieuwe mini-disc met storm meegenomen'', zegt regisseur Jos van Kan. ,,Ik heb storm mét muziek en storm los. We proberen het eerst met muziek. Dan ga je het vanzelf geloven.'' Uit de speakers weerklinkt een plons die het dramatische moment markeert dat Keteltjes vader overboord slaat en verdrinkt. Maar de acteurs staan nog schutterig en droog in hun bak. De apotheose hebben ze nog niet helemaal af.

De acteurs eten even een boterham in de naburige Poelboerderij, van waaruit het natuurgebied wordt beheerd. De vogelaar kan hier zijn eerste gespotte groenpootruiter of zwarte stern bijschrijven op het schoolbord met `Bijzondere Waarnemingen'. Wiske Sterringa, de bedenker van het project, schuift aan: ,,Ik ben hier opgegroeid, als kind was Keteltje mijn lievelingsboek. Het zielige verhaal sprak mij extra aan omdat het zich ook echt bij ons in de buurt afspeelde. Het leek me een mooi plan om de scholieren eens wat van de geschiedenis van hun streek te laten zien: eerst het boerenleven, de palingvissers in de drassige polders, dan de vroege industrialisatie met de duizenden molens, die eind negentiende eeuw weer werden verdrongen door de fabrieken.''

Dit dient echter vooral als achterliggend verhaal. Voorop staan de eenvoudige, dramatische, sappige geschiedenissen van armoede en onderdrukking, de verhalen van Roel de Knoet, Polderpoot, Jaap de Poep, Japie Stopgaren, IJssie en Knelissie; opgetekend met een goed oor voor de Zaanse streektaal: ,,De here skaite nôit voor elve. En den nag is 't dun.''

Ad de Bont, artistiek leider van Wederzijds, had er aanvankelijk niet zo'n zin in: ,,Na Dik Trom en De scheepsjongens van Bontekoe dacht ik: niet wéér een oud-Hollands jongensboek. Maar het sociale engagement van de verhalen sprak me aan, en de vorm van het project: met een boot langs verschillende locaties langs de Zaan. Dat is toch weer heel anders dan Dik Trom in de gymzaal.''

Uitvalsbasis van de groep is de Lassie-fabriek in Wormer. Een van de oude pakhuizen is decor van De zaadsjouwers; een proletarisch drama in dialect over de uitgebuite arbeiders die in opstand komen tegen de fabrieksbaas omdat deze Ouwe Klaas wil ontslaan. Er zitten veel meezingliedjes in, het wemelt van de Zaanse gezegdes. De schurkachtige fabrieksdirecteur draagt een hoge hoed en een jacquet – een sociale aanklacht moet het niet van zijn subtiliteiten hebben – maar hij rijdt wel op een step rond.

Eredivisie

De eerste lading kinderen komt langs, van basisschool De Bijenkorf te Assendelft. De drie toneelstukken zijn nog in de repetitiefase, maar Wederzijds wil zo snel mogelijk alles op kinderen testen, om te horen wat niet werkt, wat onduidelijk is, wat juist goed aanslaat. Wederzijds, al zo'n dertig jaar behorende tot de eredivisie van het kindertoneel, speelt nooit in theaters, en is thuis in fabrieken, gevangenissen en gymzalen.

Op de kade zingen de arbeiders een laatste ode aan de Zaan. De kinderen stappen op de boot die ze naar de molen op de Zaanse Schans zal brengen. Voorin zitten de twaalfjarige vriendinnen Melanie Conie en Lianne van Kerkwijk. Ze konden De zaadsjouwers niet zo goed volgen: ,,Het was niet zo duidelijk gesproken.'' De kinderen spreken van huis uit zeer beschaafd Nederlands; het Zaanse dialect dat de acteurs gebruikten is lastig voor ze. Ze moeten een verslag schrijven van hun meester. Melanie, die later schrijver of journalist wil worden, mailt haar verslag `Toneelstukjes in de Zaanstreek' later naar deze krant, in de hoop erin te komen: ,,Het ging over een stel zaadsjouwers die honderdvijftig zakken sjouwden en er wat geld voor verdienden, er was een baas en dat was dan de boef. Hij had een zaadsjouwer geen geld gegeven. Dat gingen de andere sjouwers terughalen.''

Op de oevers zien we de tegenstellingen van de Zaan langstrekken: deels ongerept natuurgebied, deels schilderachtige vissershuisjes van groene planken en molens; deels lelijke, deprimerende fabrieken. Cor Bruijn – maandag is zijn 121ste geboortedag – zag het allemaal gebeuren: ,,Ik ben geboren in de mooiste tijd van het jaar op een van de mooiste plekjes op aarde. Maar een nietsontziende geest van verkeerde zakelijkheid heeft er veel verknoeid.'' Als oudste kruidenierszoon uit een gezin van tien maakte hij de Zaanse armoede zelf mee. In zijn memoires schrijft hij: ,,O wee, o wee, o wee, riepen we, we benne de jonges van de Wormerveerdersnee. En onze ouders mompelden: `We magge wel gaan koppiedoen. De boot van elve heb al etoeterd.'''

Omdat Bruijn goed kon leren – tijdens `melkenstijd' las hij in de stal zijn klasgenoten voor uit Jules Verne – ging hij naar de Haarlemse kweekschool, waar hij in aanraking kwam met de kring van socialistische intellectuelen: Den Doolaard, Thijssen, A.M. de Jong en Troelstra, die aan het begin van de vorige eeuw naar verbetering van het lot der arbeiders streefden. Wiske Sterringa: ,,Daarvan zie je veel terug in zijn boeken. In Keteltje zit de moraal dat leren lezen je verder brengt in de wereld, dat drank meer kapot maakt dan je lief is. In de andere twee stukken zie je de strijd tegen de kapitalistische uitbuiters. In De zaadsjouwers zit bijvoorbeeld de geboorte van de pensioenregeling; als een der arbeiders voorstelt om iedere dag vijf stuivers de man (de prijs van één bier) bijeen te leggen voor een pensioenpotje.''

Cor Bruijn schreef tientallen boeken over de Zaanstreek, dramatische verhalen over de strijd om het bestaan van zaadsjouwers, zakkennaaiers, steenknechten, blokmalers en kiepvrouwtjes. Hij begon echter pas over zijn geboortegrond te schrijven toen hij al jaren bovenmeester en onderwijsvernieuwer in Hilversum was. In het Gooi miste hij de weidsheid van het waterland: ,,Waar een boom staat, kun je niet kijken.'' Niemand zag wat in zijn schrijfkunst, tot schrijfster Nienke van Hichtum, een vriendin van zijn vrouw, een goed woordje voor hem deed. Keteltje in de Lorzie (1922) was zijn eerste boek. Sil de Strandjutter (1940) zijn bekendste.

Toeristenindustrie

De boot meert aan bij molen De Bonte Hen. Op de Zaanse Schans is de oude Zaanstreek goed geconserveerd, je waant je zo aan het eind van de negentiende eeuw. Al is de armoede van toen wel heel mooi opgepoetst, en moet je eerst de zwermen Japanse toeristen wegdenken. Hier bloeit een industrie die Cor Bruijn niet voorzien had; de toeristenindustrie die het landschap onwerkelijk maakt, en de molens en gebouwen reduceert tot decorstukken in een openluchtmuseum. Maar ook een industrie die de mensen historisch besef bijbrengt. Dat is ook wat Ad de Bont voor ogen heeft met het Cor-Bruijnproject: ,,Ik wil iets doen met het Nederlandse culturele erfgoed, de kinderen enige binding bijbrengen met de omgeving waarin ze leven. Ik streef naar een speelse kennismaking met het verleden, dat hier heel tastbaar is. De Lassie-fabriek was vroeger een zaadoliefabriek, net als in De zaadsjouwers. In de vaart van het Wormerveld leefden inderdaad asociale gezinnen als dat van Keteltje. En de molens, die staan er gewoon nog.''

Molen De Bonte Hen ziet er prachtig uit vanbinnen, eindeloos veel raderen, stangen, schijven, achttiende-eeuws technisch vernuft uitgevoerd in blank hout. Hier wordt het drama De strijd om de eenhoorn opgevoerd, over een molenaarsgezin dat uiteengescheurd wordt door de komst der fabrieken. De molenaar kan alleen gelukkig zijn ,,als Gods adem door de wieken blaast en de olie uit het zaad stroomt''. Zijn dochter wil met de knecht trouwen, maar op voorwaarde dat hij in een fabriek gaat werken. De molenaar wordt woedend. Melanie in haar verslag: ,,Paul was verliefd op Stijn en wilde haar wel als vriendinnetje hebben. Maar zij wou hem niet omdat hij dan elke avond vies en vet thuis kwam en zij hem dan bijna nooit zag. Dat deed hem wel verdriet. Stijn zou trouwen met Paul en Paul zou dan gaan werken in de fabriek. Maar de molenaar zag er tegenop om zijn knecht weg te laten gaan en aan de vijand (de fabrieken) over te laten. Maar daar eindigde het toneelstukje.''

Inderdaad, de groep heeft de apocalyptische brand, waarmee het stuk eindigt, nog niet gerepeteerd. Dus komt de regisseur Rob Vriens plotseling op en zegt dat het nog niet af is. In plaats daarvan vraagt hij wat de kinderen ervan vonden. Aanvankelijk vinden ze het vooral `leuk' en `duidelijk gesproken'. Maar als Vriens zijn vragen specifieker maakt, komen ze los: ,,De knecht lijkt op Boris van Idols'', vindt de een. ,,Hij moet kiezen tussen zijn werk en zijn meissie'', heeft een ander opgemerkt. Lianne: ,,Het gaat over de oude en de nieuwe tijd. De oude tijd, dat zijn de molens, de bazen en de olie. De nieuwe tijd is dat het meisje in opstand komt tegen haar ouders.'' De meesten vinden dat de getergde molenaar wel erg hard schreeuwt. Melanie: ,,Aan zijn gezicht kon je al zien dat hij boos was. Dan hoeft hij er toch niet bij te schreeuwen?''

Voor de kinderen de boot in gaan, op weg naar huis, heeft Melanie nog snel een onderonsje met de acteur die knecht Paul speelt. In haar verslag schrijft zij: ,,Je mocht ook nog wat tips geven aan de spelers en ik had een goede tip voor Paul: dat hij op een gegeven moment (een zwijmelstukje) er wat meer gevoel in had moeten leggen. Hij zei dat hij er wel wat mee kon.''

'Cor Bruijn' door Toneelgroep Wederzijds. 20 mei t/m 6 juni. Verzamelen bij de Lassie-fabriek, Aanlegstraat 1, Wormer. Inl: 075-6555333 of www.wederzijds.nl.