De hordes op de gang

Naarmate je ouder wordt zie je beter hoe vals je familie-identiteit is. Met weinig mensen heb je zo weinig gemeen als met broers, zussen, neven en nichten.

Zon, wind, wolken, een vermoeden van zee in de lucht en een graad of zeventien: een mooie dag om te trouwen. Bruid en bruidegom waren gearriveerd in een Amerikaanse slee met open dak en chauffeur. Wij stonden nog wat aarzelend bij de ingang om ons heen te kijken, toen we ruw opzij werden geduwd door een vrouw die zich met vertrokken mond, vurige blos op de wangen en verwilderde blik in de ogen dwars door ons heen een weg wilde banen naar het bruidspaar. Háár bruidspaar, was de boodschap van de puntige ellebogen in onze zij – ook al was ze dan, naar later bleek, niet een moeder maar een tante. Háár bruidspaar, was ook de boodschap die haar driftige hakken op de houten vloer tikten – en dat wil zeggen: op dezelfde totale wijze deel uitmakend van haar familie als wij dat totaal niet deden. Nadat ze nog enkele buitenstaanders die haar pad kruisten op vergelijkbare wijze omvergebulldozerd had, omhelsde zij het bruidspaar met incestueuze innigheid, de bruidegom eerst.

Familie, ik weet het niet. Ik ben er nooit een held in geweest, zeker niet in die van anderen. De keerzijde van de mantel der liefde waaronder families de zwakheden en eigenaardigheden van hun leden bedekken, is een diep misprijzen. En dat terwijl familie voor veel, misschien wel de meeste mensen de belangrijkste bron van sociale contacten is, zoniet de enige. Buiten die kring zijn anderen van ondergeschikt belang, even ver, vreemd en onwerkelijk als de rest van wat zich buiten hun directe gezichtsveld afspeelt. ,,Daar moet je het tóch niet van hebben'', zeggen ze dan, vaak met iets bitters op de tong – een bitterheid waar ze nauwelijks genoeg van kunnen krijgen.

Naar de exacte inhoud van dat `het' datgene wat mensen aan hun familiegevoel ontlenen, het grote familiegeheim – ben ik altijd benieuwd geweest. Al was het maar om erachter te komen of mijn afkeer misschien afgunst zou moeten zijn. Wat gebeurt daar toch allemaal?

Bij de lunch kom ik tegenover haar te zitten, de tante van de bruidegom, en kan ik de lijnen in haar gezicht bestuderen. De routekaart van een familie.

Tijdens je jeugd ontwikkel je al snel karaktertrekken die grotendeels overeenstemmen met hoe de anderen in de familie je zien. ,,Geertje is een echte robbedoes, een spriet die alleen oog heeft voor dieren'', zeggen ze, en denken ondertussen: ,,Zal Geertje ooit aan de man komen? Wordt ze lesbisch of vegetariër?'' Of ze zeggen: ,,Gerard werkt zich altijd in de nesten. We moeten de hele tijd op 'm letten'', en ze denken: ,,Krijgt Gerard ooit een vaste baan? Groeit hij op voor galg en rad?'' Of: ,,Bertien was zo'n stille baby, en maar lachen tegen iedereen.'' (,,Blijft Bertien straks bij haar ouders of is ze al op haar vijftiende zwanger?'') Geertje, Gerard en Bertien hebben vervolgens de keus uit twee tegengestelde clichés: ,,Niemand kent je beter dan je eigen familie'' of ,,Mijn familie heeft geen idee wie ik ben''.

Hoe ouder je wordt, hoe valser je familie-identiteit lijkt te zijn. En wat als Geertje later echt ongetrouwd blijft en Gerard in de gevangenis belandt – is dat dan omdat ze echt zo waren of omdat ze, of ze wilden of niet, aan het beeld gingen voldoen?

O.S.M.

En dan nog eens iets. Het grootste deel van je leven breng je door onder gelijken: mensen van dezelfde leeftijd, met dezelfde smaak, hetzelfde salaris, hetzelfde wereldbeeld en vocabulaire. O.S.M.

Maar nergens tref je zoveel mensen met wie je zo weinig gemeen hebt als juist binnen de familie, aangetrouwd of niet. Van Stockhausen tot Hazes, van cryptocommunist tot GPV, van huismus tot wereldreis en van rechtoe-rechtaan tot borderline schizofreen, en elke vorm van gekte daartussenin: niets menselijks is de familie vreemd zolang het tenminste familie is. Om nog maar te zwijgen over de vloekende diversiteit aan kleren die ze dragen, hoe ze ruiken, hun tafelmanieren.

Nee, over die tafelmanieren kan ik bij nader inzien niet zwijgen. Geen groter psychologisch slagveld dan de eettafel, waar alle spanningen in het huishouden samenkomen. De ruzies over geld, politiek, school, vriendjes, eetgewoonten. De verschillende ritmes van kauwen, slikken, neus ophalen, winden laten en praten. De nu eens welkome dan weer verfoeide interrupties van televisie of telefoon. Of de stemming aan tafel nu uitgelaten en chaotisch is of juist plechtig en formeel, de spanning is er om te snijden.

Wanneer ik vroeger aan tafel iets te hard zei dat ik iets wilde of juist niet wilde, werd mijn grootmoeder geciteerd: ,,Jouw wil staat achter de deur met een bezemsteel!'' In mijn fantasie zag ik dan niet alleen mijn oma maar een hele horde hongerige voorvaderen en moederen op de gang staan – die, allemaal gewapend met bezemstelen, klaarstonden om zich op ons te storten. Misschien dat `aan tafel gaan' daarom wel met zoveel rituelen gepaard moet gaan handen wassen, tafeldekken, vaste plaatsen, dank zeggen en worden er daarom zoveel pogingen gedaan de spanning te verzachten met achtergrondmuziek, gedempt licht en afspraken over wat wel of niet geschikte onderwerpen zijn om aan tafel te bespreken. Om te voorkomen dat de hordes op de gang de minste of geringste provocatie aan zullen grijpen om de eetkamer te bestormen met hun voorvaderlijke bezemstelen. Geen wonder dat kinderen altijd vragen of ze alsjeblieft van tafel mogen of later anorectisch worden.

Maar de spanningen vroeger aan tafel zijn een picknick vergeleken met de spanningen die gemoeid zijn met het `naar huis' gaan, voor een verjaardag of Kerstmis. Je hoeft de deur van het ouderlijk huis maar open te doen of alles komt weer boven alle emoties van en over vroeger, maar tegelijk ook de krachten die je hebt ontwikkeld om die emoties te onderdrukken. Hoe oud je ook bent, naar huis gaan betekent teruggaan, regressie. Opeens weer tot twee uur in je bed blijven, je urenlang schuilhouden in de badkamer, uithuilen in de keuken, je volproppen, op de bank willen liggen met een dekentje. De aandrang is bijna onweerstaanbaar en het kost je de grootste moeite om er niet aan toe te geven. De ruzie die je tijdens dit soort bezoeken met je familie zoekt is een gevecht tegen de regressie.

We willen onze zwaktes niet toegeven, niet toegeven dat we nog behoeftig zijn, nooit echt `volwassen' geworden en dus verwijten we onze familie dat ze het slechtste in onze karakters bovenbrengen of juist te weinig begrip tonen. En ondertussen zakken we met elk rondje thee en met elk borrelhapje en elk vast gespreksonderwerp dieper weg in een soort collectieve verlamming, omdat er niets is veranderd na al die jaren, helemaal niets. Het gemompel van opa, het gekanker van een oom op de regering, het neusgepulk van een neef, het neurotische wc-bezoek van je oudste broer, het `ach ja'-gezucht van een schoonzus, en de moeder die maar niet op kan houden met de hele tijd in de weer zijn. Het is allemaal een grote herhaling en langzaam maar zeker suft iedereen weg. ,,Zullen we straks nog even een wandeling maken?'' stelt iemand moedig voor, maar niemand heeft zin. Als er onverhoopt toch een paar aarzelende handen omhoog zijn gegaan, duurt het uren voordat iedereen ook echt met de jas aan buiten staat. En bij terugkomst slaat de verlamming dubbel zo hard toe.

Kwellingen

Het valse beeld dat men van je heeft, de freakshow aan rare types, de kwellingen van het familiediner en het teruggaan naar huis alles wat met familie te maken heeft is vergeven van de onwerkelijkheid, de eeuwige overdrijving, iets meer dan levensgroots: een gigantisch `teveel', op het mythische af. Een teveel dat zich net zo hard in de meest normale, grootstedelijke, even-snel-iets-eten, ouders bij de voornaam noemende, a-religieuze familie als consumenten-eenheid doet gelden als bij Oidipous of Orestes thuis. Als tegenhanger van het menselijk tekort is dit grote teveel het materiaal zowel van onze dromen en symptomen als van het leeuwendeel van onze verhalen, romans en toneelstukken. De rede speelt daarin een ondergeschikte rol. Elke poging tot redelijkheid loopt stuk op de onredelijke en niet tot rede te brengen essentie van het familieleven: de verzameling voorouderlijke spoken op de gang.

Ik kijk op van mijn dessert, recht in de ogen van de tante van de bruid, en plotseling weet ik wie zij is: mijn oma, zonder bezemsteel.

Geen groter psychologisch slagveld dan de eettafel

Hoe oud je ook bent, naar huis betekent teruggaan