Bedevaart naar Boon

Het is eigenlijk een weggetje van niks, de Kapellekensbaan, maar een `postreligieuze bedevaart' naar het Aalst van Louis Paul Boon (1912-1979) kan nergens anders beginnen dan op de plek waar de Vlaming zijn beroemde tweeluik De Kapellekensbaan/Zomer te Ter-Muren situeerde. De weg loopt van het gehucht Termuren ten zuiden van Aalst naar `de stad met de twee fabrieken' en bestaat voor een groot deel uit de eindeloos lange blinde fabrieksmuur die prominent figureert in het verhaal over Boons heldin Ondineke, `die geboren werd in tjaar 1800-en-zoveel' en elke dag vanuit haar herberg de fabrieksmeisjes van Termuren de lange weg naar de fabriek te voet ziet afleggen.

`De eerste vuile huizen' van Aalst, die ze volgens het boek van Boon aan het einde van de Kapellekensbaan zouden moeten tegenkomen, zijn er niet, en er is ook geen herberg in Termuren. Maar het kapelletje, waar Ondineke het offerblok openbreekt om er het geld uit te halen, staat er wel degelijk. Het wordt tegenwoordig alleen nog bezocht door Boonpelgrims, schrijft Bert Vanheste in zijn ter gelegenheid van de vijfentwintigste sterfdag van Boon, afgelopen maandag, verschenen `averechtse leeswandeling' door Aalst.

Tijdens het schrijven van De Kapellekensbaan had Boon volgens Vanheste overigens een andere plek in gedachten, namelijk de Bergemeersenstraat, ook een weg met een fabriek en een lange muur, in Hofstede, een gehucht ten noorden van Aalst. Maar wat maakt het uit aan welke kant van Aalst de Kapellekensbaan werkelijk ligt, vraagt Vanheste zich af. `Ondine bestaat, zeldzaam echt, in de verbeelding van Boon en van de lezer.'

Wat deze Kapellekensbaan voor Boon belangrijk genoeg maakt om er zijn tweeluik te situeren, is dat hij uitkomt in Erembodegem, het dorpje even buiten Aalst waar Boon op zijn veertigste naartoe verhuisde. Hij had toen voor het eerst in zijn leven de kans de stad te ontvluchten en zijn eigen `reservaat' te bouwen, van waaruit hij zijn zelfopgelegde taak als `seismograaf van de algemene moedeloosheid van deze mensen uit deze tijd' kon blijven vervullen. Wel maakte de vlammende woede die Boons werk tot dan toe had gekenmerkt in die jaren plaats voor een zekere berusting. Was De Kapellekensbaan nog `een roman waarin ge alles holderdebolder uitkeert, kwak, gelijk een kuip mortel die van een stelling valt', op latere leeftijd transformeerde Boon in de bravere Boontje, wiens voornaamste handelsmerk humor en zelfspot was.

Bert Vanheste, die eerder de studie Want uw vijand wie is dat? Mijn kleine oorlog: Louis Paul Boon als ongelovige dromer publiceerde, heeft van zijn wandelboekje een miniatuurbiografie gemaakt, waarin hij al bloemlezend plaatsen uit het leven en werk van Boon beschrijft. De drie beschreven wandelingen door Aalst lijken niet meer dan een kapstok, biografie en bloemlezing domineren het boekje. Als gids is het dan ook niet erg praktisch (er ontbreekt bijvoorbeeld een kaart), maar het nodigt de aankomende Boonpelgrim wel uit om die tocht naar Aalst nu eindelijk eens een keer te maken.

Bert Vanheste: De baan op met Boon. Een averechtse leeswandeling in Aalst. De Arbeiderspers, 100 blz. €9,90