Bang voor taal

Ze zijn onverslaanbaar in taalspelletjes, maar van- avond bij de uitreiking van de VSB Poëzieprijs staat er wederom geen Vlaming op het podium. Vlaamse dichters spelen al jaren geen rol van betekenis meer. De Vlaamse poëzie heeft een probleem, èn een vijand.

Vanavond wordt de de grootste prijs voor Nederlandstalige poëzie, de VSB Poëzieprijs, voor de elfde keer uitgereikt. Mustafa Stitou mag 25.000 euro in ontvangst nemen voor zijn bundel Varkensroze ansichten en dat is volledig terecht, maar daar gaat het nu niet om. Waar het mij nu wel om gaat is dat Stitou geen Belg is. Al bij de bekendmaking van de vijf nominaties was duidelijk dat de kans nihil was dat de prijs dit jaar naar een Vlaamse dichter zou gaan. Alle genomineerden waren Nederlander. Ook voor de editie van 2003 was geen enkele Vlaamse dichter genomineerd. Heerst er crisis in de Vlaamse poëzie?

Als de ondervertegenwoordiging van Vlaamse dichters bij de genomineerden en laureaten voor de VSB Poëzieprijs een indicatie is voor crisis in de Vlaamse poëzie, dan is die crisis al langere tijd aan de gang. De laatste en enige Vlaamse laureaat van deze prijs is Hugo Claus, die tien jaar geleden werd bekroond voor zijn bundel De Sporen. Van alle 55 genomineerden voor de VSB Poëzieprijs sinds haar instelling in 1994 waren er slechts negen Vlaams, waarbij ook nog dient te worden opgemerkt dat de hoogste concentratie Vlaamse genomineerden gemeten wordt in de beginjaren van de prijs.

Voor de belangrijkste debuutprijs voor Nederlandstalige poëzie, de C. Buddingh'-prijs voor nieuwe poëzie, is de situatie niet rooskleuriger en dat is misschien een nog ernstiger indicatie voor de crisis waarin de Vlaamse poëzie verkeert. Want als de eeuwig jonge Hugo Claus als enige de eer van Vlaanderen hoog houdt bij de grotemensenprijs, dan lijkt de aanwas van jong talent een bittere noodzaak. Van de vijftien laureaten die de Buddingh'-prijs in haar bestaan heeft opgeleverd, was er slechts één Vlaams: Erwin Mortier, die twee jaar geleden werd gekroond voor zijn bundel Vergeten licht. Wanneer de prijs op 16 juni aanstaande voor de zestiende keer zal worden uitgereikt, zal wederom een Nederlands debuut worden bekroond, want geen van de vier genomineerden komt uit België.

De schokkende Vlaamse ondervertegenwoordiging kan niet worden toegeschreven aan nationalistische vooroordelen van Nederlandse juryleden. Zowel voor de VSB Poëzieprijs als voor de Buddingh'-prijs hebben Vlamingen zitting genomen in de jury en dat is in de geschiedenis van beide prijzen altijd zo geweest. De concentratie Vlamingen in de jury's van de twee belangrijkste poëzieprijzen is vele malen hoger dan het aantal Vlaamse laureaten en genomineerden die dat heeft opgeleverd. Is deze Vlaamse ondervertegenwoordiging een symptoom van crisis? Koen Vergeer, poëziecriticus van De Morgen, hoeft er niet lang over na te denken. ,,Er zit geen muziek meer in de Vlaamse poëzie.''

Er is nog een symptoom. Waar de Vlaamse poëzie vroeger nog in België werd uitgegeven, daar klampt elke zichzelf respecterende Vlaamse dichter zich tegenwoordig wanhopig vast aan de allure van de grote uitgevershuizen in de Amsterdamse grachtengordel. Het visitekaartje van de in Vlaanderen uitgegeven poëzie is op dit moment de eindeloze reeks zwarte boekjes die uitgeverij Lannoo met onvermoeibaar optimisme uitstort over de markt en die stuk voor stuk onmiddellijk verdwijnen in de vergetelheid, wat gezien de kwaliteit van de poëzie die zij bevatten, terecht is. Overigens zien niet alle Vlaamse dichters dit als een teken van crisis. ,,Je kunt het omgekeerde beweren'', zegt Gert Buelens. ,,Je kunt het ook interpreteren als een teken van erkenning voor de Vlaamse poëzie dat de Nederlandse uitgevers meer dan vroeger zijn geïnteresseerd om Vlaamse dichters uit te geven.''

Verreweg het belangrijkste symptoom voor de crisis van de Vlaamse poëzie is dat de jury's van poëzieprijzen gelijk hebben als ze de voorkeur geven aan Nederlandse dichters en dat uitgeverijen gelijk hebben als ze Vlaanderen de rug toekeren. De Nederlandse poëzie van dit moment is oneindig veel rijker, gevarieerder, vitaler en spannender dan de Vlaamse, die als een vermoeide oude man bevend in zijn fauteuil voor zich uit zit te mummelen boven het vergeelde familiealbum van een verleden waar de zon nog scheen.

Een vergelijking met de Nederlandse poëzie leert wat de Vlaamse poëzie van dit moment node ontbeert. Zij mist grandeur, lef, lol en avontuur. Wanneer we de meesterlijke poëzie van Hugo Claus, de grote verlakker en enige serieuze kandidaat om de eerste Nederlandstalige Nobelprijswinnaar te worden, buiten beschouwing laten, dan is er geen enkele levende Vlaamse dichter van internationale allure. Die is er ook al jaren niet geweest. Dat geeft het landschap van de Vlaamse poëzie de aanblik van een grijs glooiend laagland zonder toppen of vergezichten. Daar komt bij dat het de Vlaamse poëzie eveneens ontbreekt aan jonge honden. Terwijl in Nederland de podia worden beheerst door publiekstrekkers als Ruben van Gogh, Ingmar Heytze, Hagar Peeters, Erik Jan Harmens, Tjitske Jansen en Tsjead Bruinja, zitten de jonge Vlaamse dichters als puistige pubers in zelfgebreide spensertjes zich trillend te schamen voor hun natte dromen over Derrida.

In Nederland is het theater het domein van de poëzie, waar geschmierd en gezongen wordt en waar het publiek met satanisch genoegen wordt bespeeld met grollen, emoties en virtuoos vertoon van poëtisch vermogen. In Vlaanderen is de academie het domein van de poëzie, waar niemand van haar durft te genieten uit vrees voor de heilige intifada van het postmodern deconstructivisme of postconstructivistisch modernisme. De Vlaamse poëzie is verzand geraakt in de uitzichtloosheid van haar verkrampte metadiscours. Maar er bestaat toch ook in Vlaanderen een levendige podiumcultuur voor poëzie? Festivals als De Nachten en Behoud de Begeerte bloeien. Maar waar in Nederland jonge performers ook op papier een nieuw soort poëzie brengen – wat je daar ook van mag vinden – daar dringt in België geen enkel podiumrumoer door tot het gedrukte zwart op het verstilde wit. In België heb je Tom Lanoye en dat is het.

Wat de Vlaamse poëzie nog het meest ontbeert is avontuur. Het ontbreekt België aan dichters als Mustafa Stitou, Tonnus Oosterhoff, Arjen Duinker, Anne Vegter, Henk van der Waal, Rob Schouten en Astrid Lampe, die gekenmerkt worden door een vrolijke en speelse eigenzinnigheid en die elk op een eigen manier poëzie schrijven die nergens op lijkt. Elk schrijven ze verzen die door niemand anders geschreven hadden kunnen worden. Ze delen de fascinatie voor het fragmentarische, de flarden en de ontregeling. Het is poëzie die de taal niet zozeer gebruikt als een instrument voor de overdracht van gedachten en denkbeelden, maar poëzie die de taal met satanisch plezier afbreekt, verjongt en weer sprekend maakt. Daarbij gaat het vooral om dat satanische plezier.

De reden dat de Vlaamse poëzie in een crisis verkeert is precies dit: dat het de blijmoedige en plezierige Vlamingen raar genoeg op het moment ontbreekt aan dichters die hun loodzware ambities weten te combineren met speelse blijmoedigheid en plezier in het spel. ,,De Vlaamse poëzie heeft gebrek aan durf,'' zegt Koen Vergeer. ,,Alle Vlaamse poëzie gaat steeds meer op elkaar lijken. Je wordt doodmoe van al die gewelddadig discontinue zinnen waarin het wemelt van de gewelddadig discontinue ledematen. Geweld lijkt het enige thema. En dat alles met enorme pretentie. Bij Astrid Lampe valt er bij voortduring wat te lachen. Maar dat soort poëzie wordt in Vlaanderen niet geschreven. Er is geen enkele vorm van relativering.'' De crisis in de Vlaamse poëzie is gelegen in haar ernst.

Wat zijn de oorzaken van deze impasse? De eerste oorzaak is de verhouding die Vlamingen in het algemeen hebben met de Nederlandse taal. De reden dat de Vlaamse poëzie er niet in slaagt zich te verjongen in taalspel, is dezelfde reden waarom Belgen altijd alle taalspelletjes winnen op de Nederlandse televisie. Anders dan in Nederland is het Nederlands in België een zwaar bevochten verworvenheid. Hierdoor heeft in Vlaanderen de misvatting postgevat dat de taal heilig is. Vlaanderen zit opgescheept met dichters die gevangen zitten in de taal zoals zij is en die uit dankbaarheid en ontzag voor die taal de moed missen om los te breken door de taal te mishandelen. Zelfs Stefan Hertmans, die niet gelooft dat er sprake is van enige crisis in de Vlaamse poëzie, erkent dat Vlaamse dichters van nature een andere omgang hebben met hun taal dan hun Nederlandse collega's. ,,Wij houden niet zo van taalspel. En zeker niet van spel om het spel. Wij blijven hechten aan de functie van de taal als instrument voor het overbrengen van inhoud. Overigens ligt de kwestie veel complexer. We zouden het ook moeten hebben over de verhouding tussen het Vlaams en het Nederlands en over de vraag in hoeverre het van belang is dat Vlaamse auteurs decennialang hun teksten braaf hebben laten vernederlandsen door correctoren van hun Amsterdamse uitgeverij en over de recent aangewakkerde behoefte om daar verandering in te brengen en om het eigene van het Vlaams in de literatuur te behouden en te benadrukken.'' Wat het antwoord op die vragen ook moge zijn, het is duidelijk dat taal voor Vlaamse dichters een kwestie is en geen gegeven dat in al zijn vanzelfsprekendheid klaar ligt om te worden misbruikt.

De tweede oorzaak is de al eerder genoemde verstikkende grauwsluier van de academie die over het Belgische poëzieklimaat hangt. In Nederland zou niemand het in zijn hoofd halen, met uitzondering van terecht verguisde dichters als Ad Zuiderend, Martin Reints en Robert Anker, om poëzie op te vatten als het licht imbeciele zusje van de filosofie. En dat is precies wat in Vlaanderen eerder regel is dan uitzondering. Vind je het gek dat niemand iets stouts durft te doen in poëzie wanneer het klimaat heerst waarin alleen geschreven mag worden wat Derrida zou hebben goedgekeurd? Vind je het gek dat niemand lol durft te trappen in de poëzie, wanneer de misvatting heerst dat elke regel, elk woord, elke syllabe, postmodern deconstructivistisch verantwoord moet zijn? Vind je het gek dat de poëzie in crisis verkeert, wanneer zij haar bestaansrecht ontleent aan paginalange citaten in moeilijk Frans en onnavolgbare essays aan de hand waarvan zij zou moeten worden verklaard? Vind je het gek dat niemand durft te zingen wanneer de farizeeërs van `woesj' over je schouder meekijken?

Dit brengt ons op de derde oorzaak en die heeft een naam. Hij heet Dirk van Bastelaere. In zijn spastische vasthoudendheid aan ernst en ernstige filosofische uitgangspunten is hij de belichaming van de crisis van de Vlaamse poëzie. En in zijn ongeëvenaarde invloed op het Vlaamse poëzieklimaat, dat hij op tirannieke wijze bestiert met zijn essays, is hij niet in geringe mate persoonlijk verantwoordelijk voor deze crisis. Waar is Dirk van Bastelaere op uit? ,,Zijn ambitie is om de enige dichter van Vlaanderen te worden,'' zegt Thomas Blondeau, een jonge Vlaamse dichter en schrijver die in Nederland woont. ,,Hendrik Concience heeft zijn volk leren lezen. Dirk van Bastelaere wil zijn volk Dirk van Bastelaere leren lezen.'' Koen Vergeer moet erom lachen. ,,Hij wil zijn volk eerder afleren om anderen te lezen.''

Als eerste wil hij zijn volk afleren om Peter Verhelst te lezen. Als Don Quichotte van de ernst trekt hij bij voortduring ten strijde tegen diens poëzie en hij laat geen gelegenheid voorbijgaan om Verhelst te bevechten, te verguizen en belachelijk te maken. Ik ben er zelf bij enkele gelegenheden getuige van geweest en was verbijsterd over de grimmige onredelijkheid van zijn invectieven. Waarom moet nu bij uitstek Peter Verhelst het ontgelden, die als enige Vlaamse dichter durft te spelen, die niet wars is van lol en experiment, die de taal niet als heilig beschouwt en die zich kan meten met Tonnus Oosterhoff, Astrid Lampe en Arjen Duinker? Juist daarom, ongetwijfeld. In zijn speelse superioriteit is Verhelst de ontkenning van de misvatting dat kwaliteit gepaard gaat met ernst en vormt hij de grootste bedreiging voor de plek in de canon die Dirk van Bastelaere voor zichzelf heeft gereserveerd. Als hoofdcommissaris van de filosofische poëziepolitie heeft hij een nieuw etiket bedacht om Peter Verhelst te diskwalificeren. Waar anderssoortige poëzie voorheen werd weggezet als `traditioneel burgerlijk', daar wordt Verhelsts poëzie verworpen als `esthetisch', in tegenstelling tot de `ethische' poëzie die hij en zijn postmoderne brigadiers Buelens en Spinoy voorstaan. ,,Maar waaruit die ethica dan zou bestaan blijft volledig onduidelijk,'' zegt Koen Vergeer. Waarschijnlijk bestaat die voornamelijk uit het lezen van veel Franse filosofie. In een land waar `esthetisch' een diskwalificatie is voor poëzie, heerst crisis.

Dirk van Bastelaere maakt deel uit van de jury voor de VSB Poëzieprijs die vanavond wordt uitgereikt en zijn invloed is merkbaar, niet zozeer in de keuze van de winnaar als wel in de selectie van de genomineerden. In de eerste plaats is Alaska van Peter Verhelst, een van de beste bundels van het afgelopen jaar, opzichtig genegeerd, wat een schandaal mag heten. Verder dragen de bundels die wel zijn genomineerd, met uitzondering van die van Mustafa Stitou, een zeer specifieke gemeenschappelijke signatuur. Zoals Arie van den Berg al opmerkte in deze krant, heeft de jury gekozen voor cerebrale poëzie met een duidelijk filosofische inslag, zeg maar precies het type poëzie dat Van Bastelaere in zijn essays voorstaat, en zijn avontuurlijke en zintuiglijke bundels als Wat het licht doet van Hans Tentije en Kinksteen van Ch'in van Jacques Hamelink gepasseerd. Het is ongetwijfeld te danken aan de heilzame aanwezigheid van Thomas Vaessens in de jury dat althans de winnaar terecht is.

,,Toch vind ik het allemaal te veel eer voor Dirk van Bastelaere om hem in zijn eentje verantwoordelijk te houden voor de crisis in de Vlaamse poëzie,'' zegt Koen Vergeer. ,,Er is sprake van een impasse. Er zijn slechts twee mogelijkheden in de Vlaamse poëzie. Ofwel je bent filosoof, ofwel je bent anekdotenverteller. Ofwel je zit in het kamp van de filosofische poëziepolitie, bij Van Bastelaere, Buelens en Spinoy, ofwel je zit bij Nolens, Van Vliet en De Coninck. Beide kampen raken steeds meer verstrikt in hun eigen posities en een tussenvorm is er niet. Het is een patstelling. Dat is de werkelijke oorzaak van de crisis.'' Inderdaad zijn er weinig Vlaamse dichters die zich onttrekken aan deze strikte dichotomie. Naast Peter Verhelst zou je Peter Holvoet Hanssen kunnen noemen en wellicht Stefan Hertmans, die een soort middenpositie opzoekt tussen beide kampen. Vergeer: ,,Niet alleen Van Bastelaere is verantwoordelijk voor deze vruchteloze patstelling, ook Herman de Coninck heeft door zijn essays en recensies in zekere zin onopzettelijk bijgedragen aan de impasse. Maar dat mag je in België al helemaal niet zeggen, want De Coninck is heilig.''

Dan zeg ik het zelf maar. De oppositie tussen De Coninck en Van Bastelaere, die lijnrecht tegenover elkaar stonden, waarbij De Coninck mooie stukken schreef over anekdotische dichters zonder in te gaan op het poëtische gehalte, die voor de helft bepalend zijn voor het klimaat omdat De Coninck te innemend was om het met hem oneens te zijn en Van Bastelaere vanuit zijn loopgraven van het postmodernisme het land blijft bestoken met essays waaruit moet blijken dat hij de waarheid in pacht heeft en waarin hij al het andere van tafel veegt, heeft een verlammende uitwerking gehad op de Belgische poëzie die tot op de dag van vandaag merkbaar is. En er is weinig hoop op verbetering, nu het er naar uitziet dat het filosofische kamp van Van Bastelaere aan de winnende hand is sinds De Coninck en Van Vliet de Vlaamse poëzie zijn ontvallen. Je zou het de Vlaamse poëzie gunnen dat er een verbod van minstens tien jaar werd uitgevaardigd op de woorden `postmodernisme' en `deconstructivisme', dat Belgen begonnen te verliezen met Tien voor Taal, dat Dirk Van Bastelaere werd verbannen naar Nederland en dat de lichte, speelse, zingende geest van Gezelle, Van Ostayen en Paul Snoek weer vaardig zou worden over Vlaamse verzen.