Amper steun voorstel bedrijfsbelasting EU

Met de uitbreiding van de EU vrezen Duitsland en Frankrijk voor het wegtrekken van bedrijven naar landen met een lagere vennootschapsbelasting. Een voorstel van de landen om de tarieven te gelijk te trekken krijgt weinig steun.

Voor de nieuwe EU-lidstaten is Ierland het voorbeeld hoe je door intelligent gebruik van Europese structuurgelden en effectief fiscaal beleid je welvaart kan opkrikken. Mede aangelokt door een laag tarief vennootschapsbelasting (VPB) van 12,5 procent hebben bedrijven er miljarden geïnvesteerd. Estland heeft nu met 0 procent het laagste tarief. In Duitsland en Frankrijk heerst nervositeit. Zij vrezen het wegtrekken van bedrijvigheid. Bondskanselier Schröder spreekt al van ,,belastingdumping''. Minister van Economische Zaken Clement dreigt Europese subsidies voor nieuwe lidstaten ter discussie te stellen, als zij weigeren hun tarieven op een behoorlijk niveau te brengen.

Het gemiddelde VPB-tarief in de tien nieuwe lidstaten is 23,6 procent tegen 31,7 procent in rest van de EU. Oostenrijk verlaagde onlangs zijn tarief van 34 tot 25 procent. Fiscale concurrentie uit de buurlanden Slowakije en Hongarije speelde ongetwijfeld een rol. Toch krijgen Duitsland (39 procent) en Frankrijk (37,5 procent) weinig steun voor hun voorstel tot harmonisatie van de tarieven. Landen als Groot-Brittannië (28,2 procent) en Ierland hebben er nooit voor gevoeld. De nieuwe lidstaten zullen zeker niet meedoen. Over belastingzaken moet in de EU eenstemmig worden besloten. Berlijn en Parijs willen daarom een akkoord met een kleinere groep lidstaten. Het EU-verdrag maakt dit via `versterkte samenwerking' mogelijk. Maar de vraag is welke zin het heeft, wanneer de meeste lidstaten niet meedoen.

Vorig jaar kwamen de EU-lidstaten na jaren van touwtrekken tot een gedragscode tegen ,,schadelijke'' concurrentie bij bedrijfsbelastingen. Het ging echter alleen om fiscale constructies (ook Nederlandse) die in feite oneerlijke staatssteun zijn. De gedragscode gaat niet over tarieven. Een adviescomité onder leiding van de Nederlandse ex-minister Onno Ruding adviseerde in 1992 al tot een bandbreedte van 30-40 procent voor de VPB. Maar de Europese Commissie zag er niks in, al was het alleen maar wegens de politieke onhaalbaarheid.

Een woordvoerder onderstreepte gisteren nog eens dat de Europese Commissie ,,geenszins van plan is een voorstel over tarieven te doen''. Eurocommissaris Frits Bolkestein (Interne Markt) wil alleen harmonisatie bij indirecte belastingen, omdat grote tariefverschillen in BTW en accijnzen de interne markt verstoren. Volgens Bolkestein is ,,eerlijke concurrentie'' bij directe belastingen goed, omdat overheden worden gedwongen publieke gelden efficiënt te besteden. ,,Zij die spreken van fiscale dumping vergissen zich in hun doelwit'', aldus zijn woordvoerder. ,,Als een lidstaat zin heeft om zijn geografische positie aan de periferie van de EU te compenseren, mag het een tarief vaststellen dat het zelf wenst.'' Volgens Brussel ontbreken aanwijzigen voor een `race naar de bodem' met tarieven. De opbrengst uit VPB ligt in de EU-lidstaten al jaren op zo'n 3 procent van het bruto binnenlands product. In Duitsland zelfs op 1,9 procent. Dat maakt trouwens duidelijk dat het belang van de VPB voor de schatkist relatief klein is.

Het echte probleem zijn volgens de Europese Commissie de uiteenlopende heffingsgrondslagen voor bedrijfsbelastingen in de EU-lidstaten, die allemaal hun eigen aftrekposten en fiscale regelingen hebben. Ze zijn een belemmering voor de interne markt. En dus voor economische dynamiek en welvaartsgroei. Voor kleinere bedrijven loont het door hoge administratieve kosten vaak niet de moeite elders actief te worden. Daarom wil eurocommissaris Bolkestein nog dit jaar een voorstel doen voor de stapsgewijze invoering van een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. Sommige lidstaten zijn ook hier huiverig voor, omdat zij er een eerste stap naar tariefharmonisatie in zien. Bedrijven die in meer lidstaten actief zijn, zouden volgens Bolkestein ook belasting moeten kunnen betalen over geconsolideerde resultaten. Maar dit laatste is wegens belastingtechnische problemen iets voor de langere termijn. De vennootschapsbelasting komt ondertussen steeds meer onder vuur van het Europese Hof, omdat de verbrokkelde regelgeving het vrije verkeer en de vrije vestiging in de EU belemmert. Voor de Commissie zijn Hof-uitspraken een belangrijke steun in de rug om maatregelen te nemen.

Een gemeenschappelijke heffingsgrondslag vergroot bovendien de transparantie, omdat direct duidelijk is hoeveel belasting werkelijk wordt betaald. Bolkestein denkt dat met een kleinere groep lidstaten via `versterkte samenwerking' afspraken mogelijk zijn. Hij wil ook een proef om midden- en kleinbedrijven belasting volgens de regels van het thuisland te laten betalen.

,,Kunnen we ons veroorloven af te zien van economische groei doordat bedrijven in de Europese Unie op fiscale obstakels stuiten'', aldus Bolkestein in een recente toespraak. ,,Kunnen onze ondernemingen concurreren met Amerikaanse bedrijven als deze profiteren van een echte thuismarkt zonder obstakels in de vorm van dubbele belastingheffing.''

Daarom wil Bolkestein fiscale obstakels aanpakken. En de tarieven van de vennootschapsbelasting? Die zullen volgens hem naar elkaar toe groeien, omdat er bij grotere transparantie meer eerlijke belastingconcurrentie ontstaat. En het pleidooi van Berlijn en Parijs voor een afgedwongen harmonisatie van tarieven? Dat voorstel is volgens Bolkesteins woordvoerder slechts ,,gebakken lucht''.