Rechtszaak over stilstaande roltrap als vluchtweg

Morgen dient het hoger beroep van Amsterdam tegen de vernietiging van de bouwvergunning voor metrostation Rokin. Is een roltrap een veilige vluchtweg?

Waarom wil Amsterdam alleen roltrappen in het nog te bouwen metrostation Rokin van de Noord/Zuidlijn (NZL)? Dat is een van de vragen waarover de Raad van State zich morgen moet buigen. De Raad behandelt het hoger beroep van de gemeente Amsterdam tegen de vernietiging van de bouwvergunning voor de inrichting van het nog te bouwen station Rokin. De Raad van State adviseert regering en parlement over wetgeving en spreekt in hoogste instantie recht in bestuursrechtelijke geschillen.

September vorig jaar vernietigde de rechtbank van Amsterdam de bouwvergunning voor de inrichting van station Rokin omdat de brandveiligheid onvoldoende zou zijn. De vereniging `De Bovengrondse', die al jarenlang publicitair en juridisch strijd voert tegen de aanleg van de Noord/Zuidlijn, had in een beroepsprocedure om nader onderzoek gevraagd naar de veiligheid van het station. Verantwoordelijk wethouder M. van der Horst zei door de uitspraak van de rechtbank ,,onthutst'' te zijn. ,,We moeten ons huiswerk overdoen'', zei hij. Gelukkig voor de gemeente waren er twee vergunningen ingediend: één voor het interieur en één voor het zogeheten casco – de romp van het stationsgebouw. Een verzoek om ook de bouw van het casco stil te leggen werd niet door de rechtbank gehonoreerd.

De gemeente heeft bij de Raad van State rapporten ingediend van het Engelse adviesbureau MottMcDonald over de rook- en warmteafvoerinstallatie, en van TNO Technische Menskunde en TNO Bouw over de roltrappen. De vereniging De Bovengrondse heeft het ingenieursbureau DGMR in de arm genomen om de brandveiligheidsaspecten van het stationsontwerp te onderzoeken.

Morgen moet blijken of de gemeente Amsterdam dit keer haar huiswerk goed heeft gedaan. De Bovengrondse betwijfelt dit. De advocaat van de vereniging, mr. H.Sarolea, meent dat het rapport van het ingenieursbureau DGMR ,,geen spaan heel laat van de laatste gemeentelijke besluitvorming''. Volgens DGMR signaleert het door de gemeente ingeschakelde adviesbureau MottMcDonald zelf een groot aantal bezwaren tegen de analyse van het gemeentelijke adviesbureau Noord/Zuidlijn. ,,Zij (Mott) doen een krachtige aanbeveling om de rookbeheersing veel diepgaander te bestuderen dan de eenvoudige berekeningen die het Adviesbureau Noord/Zuidlijn heeft gedaan.''

Daarnaast wijst DGMR er op dat in sommige landen roltrappen in het geheel niet mogen worden ingezet voor de ontruiming bij calamiteiten. In de Verenigde Staten mogen roltrappen maximaal de helft uitmaken van het totaal aantal trappen. Het bureau stelt vast dat bij station Rokin wordt overwogen om, tegen de nationale bouwregelgeving èn internationaal gebruikelijke ontwerpregels in, het vluchten uitsluitend over roltrappen te laten plaatsvinden. Een ,,onderbouwde beargumentering'' om – tegen de communis opinio in – de vluchtroutes alleen via roltrappen te laten lopen is noodzakelijk ,,om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen over gelijkwaardige veiligheid'', aldus DGMR. Die argumentering ontbreekt volgens het bureau.

TNO Technische Menskunde in Soesterberg heeft in opdracht van de gemeente Amsterdam onderzoek verricht naar de doorstroomcapaciteit bij stilstand van de roltrappen. Dat onderzoek heeft aangetoond dat ,,de ontruimingscapaciteit van een stilstaande roltrap gelijk is aan, of zelfs hoger dan, een vaste trap van vergelijkbare afmetingen''. Maar dit onderzoek, stelt DGMR, is uitgevoerd ,,door groepen proefpersonen in een proefopstelling in de Rotterdamse metro een aantal malen omhoog over een roltrap en over een vaste trap te laten lopen'', en dat bij een normale ontruiming, dus niet in een situatie waarbij mensen in paniek zijn.

Mensen hebben, zegt DGMR, bij het naderen van roltrappen de neiging tot aarzelen en vertragen om de roltrap goed te bestijgen. In het gedrang dat daardoor ontstaat, leidt dit weer tot vallen en ,,blokkeren''. Ook mist een stilstaande roltrap over een grote hoogte de rustpunten, zoals vaste trappen die hebben in de vorm van bordessen. Daarbij lopen kortademige, zieke en gebrekkige mensen risico halverwege ,,stil te vallen en zo de doorstroom te blokkeren''. Dat zou ook in de berekeningen moeten worden opgenomen.

Ten slotte zet DGMR vraagtekens bij de door de gemeente gehanteerde uitgangspunten van de berekeningen van de brandveiligheid. Zo zou de gemeente voor een brandhaard als hoogste vermogen 15 MW hanteren, (,,zeer extreme brandcondities''). DGMR noemt dat ,,relatief bescheiden''. ,,In vergelijkbare veiligheidsstudies voor andere metro- en treinprojecten in Nederland, maar ook daarbuiten, worden topvermogens van 30 à 40 MW als reëel verondersteld''. Volgens het ingenieursbureau is de aanname van 15 MW alleen bij aantoonbaar `zeer goed metromaterieel' te rechtvaardigen. ,,In de dossiers is echter geen enkele concrete indicatie aangetroffen dat het materieel dat op de Noord/Zuidlijn gaat rijden dergelijke kwaliteiten zal bezitten.''

De uitspraak van de Raad van State komt, volgens de gemeente, pas binnen zes tot twaalf weken.