Irak is goudmijn voor `beveiligers'

Westerse ex-militairen stromen naar Irak om er voor veel geld zakenlieden of autoriteiten te beschermen. Maar ook helpen ze de CIA met het ondervragen van gevangenen.

Een verkeersopstopping bij een kruispunt in de Iraakse hoofdstad. Een kluit van honderden auto's toetert tegen elkaar in de hoop vrije doorgang te krijgen. Armen gebaren woest uit ramen, een enkeling legt zijn pistool klaar op het dashboard, wachtend op het eerste ongeluk. Plotseling wijkt een van de rijen auto's uiteen voor een colonne witte terreinwagens. Bij het verstopte kruispunt aangekomen, springt een westerse man met zonnebril, junglehesje en kogelwerend vest uit de achterklep van een van de wagens. Zijn rechterhand houdt hij op de greep van zijn machinepistool, zijn linkerhand gebaart de andere bestuurders dwingend de berm in. Mokkend sturen de Bagdadi's naar de kant; met deze mensen valt niet te spotten, weten ze.

De mannen in de terreinwagens zijn ex-militairen, voornamelijk commando's en mariniers afkomstig uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Nepal en Zuid-Afrika. Ze beveiligen een zakenman of hooggeplaatste Irakees, die achter een van de geblindeerde ramen moet zitten. De mannen werken voor een van de vele `onafhankelijke militaire bedrijven' die op dit moment in Irak actief zijn.

Met meer dan 15.000 werknemers zijn de bedrijven samen de tweede grootste militaire macht in Irak, groter dan de belangrijkste coalitiepartner, de Britten.

Blackwater, een van de grootste militaire bedrijven in Irak, kwam eind maart in het nieuws toen vier werknemers in de westelijke stad Falluja omkwamen bij een aanslag. De lijken van twee van hen werden aan een brug opgehangen.

De werknemers noemen zichzelf `contractanten', `beveiligers' of `lijfwachten'; hun namen zijn net zo divers als het werk waar ze voor zijn ingehuurd. Noem ze geen huurlingen, want deze mannen werken voor bedrijven en zijn niet actief bij gevechtshandelingen betrokken, zo stellen ze zelf. ,,We zijn geen militairen, wij zorgen ervoor dat Irak kan worden herbouwd'', zegt Simon Crane, directeur van Edinburgh Risk and Security Management. De Britse ex-infanterist zit al acht maanden in Bagdad en de zaken gaan goed. ,,Iedereen heeft veiligheid nodig in Irak.'' Hij verhuurt kleine teams met lijfwachten voor 1.500 dollar per dag.

Betaald door de Verenigde Staten beschermen deze westerse beveiligers niet alleen VIP's zoals de Amerikaanse ambassadeur Paul Bremer. Ze beveiligen ook de transporten ten bate van het Amerikaanse leger, olie-installaties, de luchthaven van Bagdad, elektriciteitscentrales en militaire bases. Ze bedienen onbemande verkenningsvliegtuigen, trainen de Iraakse politie en legereenheden. In de Abu Ghraib-gevangenis nabij Bagdad, waar bekend werd dat gevangenen zijn vernederd en mishandeld door Amerikaanse soldaten, zijn zij ingehuurd om CIA-agenten te helpen met het ondervragen van gevangen.

De hoge salarissen zijn dé grote lokkers voor de gewapende buitenlandse werknemers. Van de 87 miljard dollar die het Amerikaanse Congres apart heeft gezet voor operaties in Irak en Afghanistan, wordt 30 miljard dollar uitgegeven aan de onafhankelijke militaire bedrijven, zo schat het Amerikaanse leger. Het gevolg is dat ervaren beveiligers in Irak tot 1.000 dollar per dag kunnen verdienen.

De pot met goud trekt allerlei avonturiers en gelukszoekers aan. Howard B. Lowry werkt in Texas als makelaar, maar sinds Bagdad in Amerikaanse handen is, woont hij in een hotel in de Iraakse hoofdstad. De televisie staat op CNN, links en rechts liggen romans over Navy Seals en Groene Baretten, Amerikaanse commando-eenheden. Lowry verkoopt accessoires voor de beveiligers. De vloer van zijn kamer ligt vol met kogelwerende vesten. Hij regelt transport, verzorgt beveiligde onderkomens en adviseert zakenmensen over hun veiligheid. Op zijn bureau staat een grote opgezette adelaar.

,,Dit land heeft meer geld nodig. Hoe meer er binnenkomt, hoe sneller Irak verandert'', zegt Lowry. Zonder het particuliere beveiligingspersoneel dat niet lukken, want zonder goede bescherming komen de buitenlandse bedrijven niet, concludeert hij.

Lowry vertelt over een Amerikaanse zakenman die alleen in Bagdad woonde. ,,Na twee weken stond het verzet hem op te wachten voor zijn uitrit. Hij is compleet doorzeefd. Dat was niet gebeurd als hij een beveiligingsteam had gehad.''

De meeste beveiligers mogen dan wel ervaren en getraind zijn, onkwetsbaar zijn ze niet. Volgens schattingen zijn er al ongeveer 50 omgekomen bij gevechtsacties. Drie weken geleden werd een Zuid-Afrikaan neergeschoten in een supermarkt nadat hij zijn kogelwerende BMW had verlaten om boodschappen te doen in een van de gevaarlijkste wijken van Bagdad. In West-Bagdad werden vier privé-soldaten aangetroffen in een ondiep graf naast de weg. Zij werkten voor de semi-militaire dochteronderneming van de Amerikaanse aannemer Halliburton. Hoeveel er precies zijn omgekomen is onbekend. Gedode particuliere beveiligers worden niet opgeteld bij de officiële dodenlijsten.

Het gebrek aan regelgeving rondom de privé-legers leidt tot vreemde situaties in een land waar vrijheid, democratie en mensenrechten de officiële nieuwe normen zijn. Vrijwel iedereen kan zijn diensten aanbieden aan de bedrijven, ongeacht achtergrond of voorgeschiedenis. Veel Zuid-Afrikaanse beveiligers hebben voor de beruchte geheime dienst in de tijd van het apartheidsregime gewerkt. Medewerkers van het Amerikaanse bedrijf Dyncorp hielden er in Bosnië een seksslaven-industrie op na, waarbij een van de hoogste managers zijn verkrachtingen van minderjarige meisjes op video vastlegde. Wegens gebrek aan wetgeving gingen de daders vrijuit. De klokkenluiders werden ontslagen. Dyncorp traint nu de Iraakse politie.

De beveiligers die assisteren bij de ondervragingen in de Iraakse Abu Graib-gevangenis kunnen moeilijk worden aangeklaagd omdat ze niet onder militair recht vallen. Feitelijk zijn ze buitenlandse staatsburgers die alleen in hun eigen land kunnen worden aangepakt, met alle wettelijke problemen van dien.

Peter Singer, schrijver van het boek Corporate Warriors, over de nieuwe industrie, maakt zich ernstige zorgen over het gebrek aan regels voor deze bedrijven. ,,Nu verwacht men zelfregulering van de sector, iets wat niet voldoende is, getuige het Dyncorp-schandaal'', schrijft Singer in zijn boek. Hij bepleit de oprichting van een speciale instelling onder de supervisie van de VN-rapporteur voor huurlingen en meer mogelijkheden om de bedrijven aan te pakken. ,,De mazen in de wet zijn onacceptabel. Oorlog is te belangrijk om aan multinationals over te laten'', waarschuwt hij.

Simon Crane, de Britse eigenaar van Edinburg Risk and Security Management, is het met hem eens. Samen met de andere bedrijven probeert hij met de Amerikaanse regering een keurmerk te ontwikkelen voor onafhankelijke militaire bedrijven in Irak. ,,We moeten met huisregels komen, anders moet straks de hele industrie lijden onder een paar slechte collega's'', vindt hij. ,,Kijk, we kunnen ook allemaal vertrekken omdat we `kwaaie huurlingen' zijn, maar wie moet Irak dan veilig houden? Het zou een bloedbad worden.''