Help! De hoogleraar verzuipt

Het was feest onlangs bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW): vijf vooraanstaande seniorhoogleraren werden door de president geïnstalleerd als `akademiehoogleraar'. De pasbenoemden straalden, omdat zij zich nu zorgeloos konden gaan concentreren op hun wetenschappelijk onderzoek en geheel werden gevrijwaard van administratieve en organisatorische beslommeringen, een kenmerkend aspect van het hedendaagse universitaire bestaan.

Het is mooi dat men enkele uitverkorenen via een akademiehoogleraarschap bevrijdt, maar zou men niet moeten proberen het moeras droog te leggen waarin een hele generatie van wetenschappers voortploetert? Voor de goedgelovigen gloorde onlangs een sprankje hoop: bij de behandeling van het wetenschapsbudget 2004 heeft de Tweede Kamer bij de discussie van het zoveelste plan voor prestatiebekostiging van de universiteiten gevraagd ,,te komen tot minder regels en daarover advies in te winnen bij de Adviescommissie Terugdringing Administratieve Lasten''. Dit klinkt hoopvol, maar dreigt eenvoortzetting te worden van de heilloze gewoonte om steeds meer stuurlui aan de wal te betrekken bij het universitaire beleid.

De universiteiten moeten tegenwoordig naar het pijpen dansen van een hele reeks van organisaties die zich, in opdracht van het ministerie, met het universitaire onderwijs en/of onderzoek bemoeien. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de KNAW, de Adviesraad voor Wetenschap en Technologie (AWT), de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) en de Inspectie Hoger Onderwijs van het ministerie hebben de afgelopen twee decennia een lawine van onderwijs- en onderzoeksvisitaties en erkenningsprocedures over de universiteiten uitgestort. Hoewel de intentie die achter de afzonderlijke activiteiten steekt vaak niet onredelijk is, blijken de beleidsmakers zich niet serieus te bekommeren om de extra belasting die ze met al hun vragen en regels op de seniorstaf van de universiteiten leggen. Tegelijkertijd zijn er ook nog eens van hogerhand opgelegde, ingrijpende veranderingen in de structuur van het wetenschappelijk onderwijs die maar al te vaak door volgende maatregelen worden achterhaald nog voordat ze feitelijk zijn ingevoerd. Neem de wet op de tweefasenstructuur (waarvan de tweede fase nooit van de grond kwam), de verkorting van de studieduur tot vier jaar, wederinvoering van een vijfjarig programma voor de bèta-richtingen en, terwijl men druk doende was met het laatste, de overgang naar de bachelor-master structuur.

En alsof alle toezicht nog niet genoeg is, verscheen er vorig jaar een nieuwe speler op het toneel: de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie), die op grond van een uitgebreide (door de universiteiten ingeleverde) documentatie en het oordeel van een nieuwe onderaannemer, de QANU (Quality Assurance Netherlands Universities), alle universitaire opleidingen moet waarmerken.

Klagen is de Nederlanders, en zeker de universitaire medewerkers, niet vreemd. Maar het is niet terecht de heersende situatie met `het valt toch wel mee' af te doen. Dit geldt misschien voor sommige individuele maatregelen, maar zeker niet voor hun totaliteit. Veel wetenschappers zijn ontmoedigd, krijgen het gevoel het stuur te verliezen en te zijn overgeleverd aan de alsmaar groeiende kaste van beleidsmedewerkers en hun modellen. Wat te doen, nu eindelijk ook de Tweede Kamer lijkt te beseffen dat matiging geboden is?

We zouden beter naar het buitenland moeten kijken. Elders beschikken prestigieuze universiteiten over ruime middelen en mogen deze zelfstandig hun koers uitzetten. Vooral de Eidgenössische Technische Hochschule (ETH) in Zürich, als internationale `topuniversiteit' in een klein land, is voor ons interessant. Waarom verhuisden drie Nederlandse hoogleraren in de chemie naar Zürich en beginnen prominente fysici hun voorbeeld te volgen? Als je met hen praat, is het antwoord simpel. Een hoger salaris is leuk, maar vooral de mogelijkheid tot ontsnappen aan alle Nederlandse bemoeials en hun papieren geeft voor hen de doorslag. Een hoogleraar die eenmaal aan de ETH is aangesteld, krijgt het vertrouwen en de middelen om in een aantal jaren te laten zien wat hij waard is, zonder allerlei externe verantwoording af te hoeven leggen.

Waarom gaan we door met het vullen van kantoren met beleidsondersteunende medewerkers, terwijl de universitaire wetenschap in de verdrukking zit? Laat men het recente advies `Kwaliteit Verplicht' serieus nemen. Schenk de universiteiten vertrouwen en geef ze – net als de ETH en normale bedrijven – zélf de verantwoordelijkheid voor hun kwaliteit!

Prof.dr. J.H. van der Waals is emeritus hoogleraar experimentele natuurkunde aan de Universiteit Leiden.

    • J.H. van der Waals