Eigen woning eerst

De politiek wil zich er liever niet aan branden, en toch komt het onderwerp regelmatig terug op de agenda: afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Gisteren was het de directeur van de Nederlandse Vereniging van Banken die er genuanceerde dingen over zei. Dat het uitgerekend de banken zijn die het debat heropenen over deze in Nederland razendpopulaire fiscale verworvenheid, komt omdat ze – niet ten onrechte – voorzien dat de fiscale behandeling van de eigen woning een onderwerp zal worden in de komende kabinetsperiode. Het belang van de banken en dat van de huidige huiseigenaren, mocht de renteaftrek ooit worden beperkt, is gebaat bij temporisering. Tijdig reclameren kan dus geen kwaad.

Het kabinet heeft al beperkingen op het gebied van de overwaarde aangebracht, maar de renteaftrek als zodanig is voor Balkenende II niet aan de orde. Maar wat niet is, gaat in dit geval wel een keer komen. De bankvereniging voelt de politieke onderstroming goed aan. Dat de regeringspartijen huiveren om er nu al uitspraken over te doen, is begrijpelijk. Electoraal is er weinig winst mee te halen. Het siert de Partij van de Arbeid dat ze het de afgelopen jaren in ieder geval heeft aangedurfd om als enige grote partij het debat over beperking van de hypotheekrenteaftrek aan te gaan. Veel huizenbezitters, ook degenen onder hen die PvdA stemmen, zullen dat niet in dank hebben aanvaard. Tallozen profiteren van deze verkapte overheidssubsidie, waarvan het doel ooit de bevordering van het eigen woningbezit was. Sinds 1915 wordt de aftrek toegepast; al die jaren is hij verwerkt in de prijsontwikkelingen op de woningmarkt. Maar het instrument heeft met het stijgen van de onroerendgoedprijzen aan effectiviteit voor zijn belangrijkste doel – huizenbezit stimuleren – ingeboet. Tegelijk vormt de aftrek voor de overheid een budgettair risico. Als de nu nog lage rente stijgt, krijgt het rijk op den duur te maken met een miljardentegenvaller. Zowel voor de starters op de woningmarkt, voor wie veel huizen onbetaalbaar zijn geworden, als voor 's rijks schatkist is een gemakkelijk pleidooi voor afschaffing te houden. Daarbij komt het argument dat de aftrek wellicht door `Brussel' wordt aangepakt, uit overwegingen van fiscale harmonisatie. Nederland is in de EU een van de weinige landen die gebruikmaken van het systeem van hypothecaire renteaftrek. Maar de noodzaak van Europese betrokkenheid bij dit langjarige Nederlandse fenomeen moet dan eerst maar eens duidelijk worden aangetoond – met verdragsartikelen en richtlijnen erbij.

Waar het in dit debat in wezen om gaat is een evenwichtige prijsontwikkeling op de woningmarkt. Abrupte afschaffing of ingrijpende aftopping van de renteaftrek zou niet alleen honderdduizenden gezinnen duperen – het eigen woningbezit in Nederland bedraagt thans 54 procent – het zou ook een sterk negatief effect op de economie als geheel hebben. Dat er iets aan de renteaftrek moet veranderen, ligt voor de hand. Maar eventuele aanpassingen vergen een juiste timing, gezien de politieke en financiële risico's. De `weg der geleidelijkheid' biedt uitkomst. Dit veronderstelt op z'n minst dat Den Haag, indien nodig afgestemd op Brussel, eerst eens met een samenhangende zienswijze op het eigen woningbezit komt.