`De Verenigde Staten halen we nooit meer in'

De Europese biotechnologie raakt steeds verder achter op de Amerikaanse. Oorzaak is een gebrek aan ondernemers. En investeerders zijn voorzichtig. ,,We dreigen ingehaald te worden door Azië.''

Het Schotse biotechnologiebedrijf PPL Therapeutics kloonde vijf varkens en stond aan de wieg van Dolly, het beroemdste schaap ter wereld. Helaas heeft het bedrijf in de zestien jaar dat het bezig was, geen enkel biggetje verkocht. Het verlies dat het bedrijf maakte, liep in de eerste helft van vorig jaar op tot 18 miljoen euro. Tweederde van de medewerkers vloog er uit. Als het noodlijdende bedrijf niet snel wordt verkocht, gaat de stekker eruit.

Het lot van PPL Therapeutics treft dit jaar waarschijnlijk meer Europese biotech-bedrijven. Zo blijkt uit het vandaag gepubliceerde rapport over de stand van zaken in de Europese biotechindustrie, dat consultantbureau Ernst & Young voor het elfde achtereenvolgende jaar uitbrengt. Hun conclusie is dat deze in een kwetsbare positie verkeert en dat de achterstand op de Verenigde Staten steeds groter wordt. Het aantal biotechbedrijven in Europa bleef weliswaar gelijk, maar het aandeel dat financieel minder dan twee jaar vooruit kan, steeg tot 43 procent. In Europa daalde voor het eerst de omzet in de sector, terwijl deze wereldwijd met 17 procent steeg.

Dat Europa steeds verder achter Amerika aanhobbelt, heeft verschillende oorzaken. Een daarvan is het gebrek aan goede ondernemers, vertelt Pieter Lucas, een van de auteurs van het rapport. Rein Strijker, directielid van het Nederlandse bedrijf Pharming, legt uit: ,,Als bedrijven mislukken is dat zelden omdat de wetenschap niet goed is.''

Het aantrekken van financierders en het goed laten verlopen van samenwerkingen met andere bedrijven gaat vaker fout. Daarvoor moet je iemand hebben die een bedrijf kan leiden. Volgens Lucas ontbreekt het daaraan in Europa, waarschijnlijk komt dat door een gebrek aan ervaring dat er hier in de prille biotech-sector is.

,,Er waren wel wetenschappers met talent voor zaken doen'', vertelt Strijker. In de jaren tachtig heeft hij verschillende Nederlanders naar de VS zien vertrekken, met succes. Ze gingen weg vanwege het slechtere wetenschappelijke klimaat, bijvoorbeeld omdat er gedoe was met vergunningen. ,,Voor bepaalde proeven gingen we naar Zwitserland, omdat het daar vrijer was'', zegt Strijker.

Het lijkt erop dat Zwitserland daar nog steeds de vruchten van plukt. Het land heeft binnen Europa samen met het Verenigd Koninkrijk verreweg de meeste omzet uit biotech-producten. Volgens Clemens van Blitterswijk, oprichter van biotech-bedrijf Isotis dat in 2002 fuseerde met het Zwitserse Modex, komt dit ook door de grote farmaceutische industrie in Zwitserland. ,,Voor een buitenstaander is het moeilijk te zien wat de waarde van een biotech-bedrijf is'', vertelt hij.

Als bijvoorbeeld een grote farmaceut geld steekt in zo'n bedrijf, krijgen andere investeerders er meer vertrouwen in. Dat soort deals gebeuren volgens hem ,,eerder in eigen land''. Ook daardoor heeft Amerika het makkelijker dan het gefragmenteerde Europa.

Het probleem van biotechnologie is dat de kosten ver voor de baten uitlopen, vertelt Van Blitterswijk. ,,En die kosten zijn hoog.'' De ontwikkeling van een biotechnologisch product duurt gemiddeld 10 jaar. ,,Elk bedrijf komt op een punt dat er nieuw geld moet worden opgehaald.''

Een belangrijke verandering is dat investeerders en beleggers steeds vaker eisen dat bedrijven niet alleen een mooi wetenschappelijk verhaal hebben, zoals PPL Therapeutics, maar ook een product. Lucas: ,,Crucell enzo, daar hebben we een beetje genoeg van.'' Het Nederlandse Crucell haalde in 2000 met zijn beursgang 144 miljoen euro op, en maakt nog altijd meer verlies dan omzet. Amerikaanse bedrijven ontwikkelen hun producten sneller dan Europese. In Europa werden vorig jaar 6 nieuwe biotech-medicijnen goedgekeurd, in Amerika 25.

Van alle investeringen in de Europese biotechnologie, was 62 procent een vervolginvestering. In 2002 was dit nog 8 procent. ,,De kloof tussen de have's en de have-not's wordt groter'', staat in het rapport. Tol Trimborn, medewerker van de Amsterdamse investeringsmaatschappij Life Sciences Partners, bevestigt dat de trend is om te investeren in bedrijven in een later stadium van hun ontwikkeling. ,,Die geven minder risico.''

De have-not's hebben volgens Trimborn grofweg twee mogelijkheden om te overleven. Als een bedrijf één veelbelovend product heeft, loont het om zich daar volledig op te richten en het bredere onderzoeksprogramma te schrappen. Ernst & Young ziet dit ook gebeuren. De onderzoeksuitgaven in de sector daalden in Europa met 17 procent en het aantal werknemers met 5 procent. Daardoor werd het verlies dat de sector in Europa maakt, teruggebracht met 52 procent tot 1,9 miljard euro. Lucas ziet het als een teken van volwassenheid dat de sector haar prioriteiten opnieuw stelt.

Een andere overlevingsstrategiPis volgens Trimborn de krachten te bundelen en te fuseren met een ander bedrijf. ,,Maar dat zien we toch niet veel gebeuren'', vertelt Trimborn.

Lucas verwacht dat de biotechnologie wereldwijd in 2010 winstgevend zal zijn, maar over Europa is hij niet positief. ,,Amerika halen we nooit meer in'', zegt hij. En Azië komt eraan. Daar stegen de inkomsten, de onderzoeksuitgaven en het aantal bedrijven. Lucas vertelt: ,,Het aantal ingenieurs dat daar jaarlijks afstudeerd, is groter dan het totale aantal dat wij in Europa hebben.'' En die zijn niet slecht, voegt hij toe. Lucas: ,,Er is steeds meer consensus dat de regio Azië-Pacific de echte bedreiging vormt voor de dominante VS-industrie, in plaats van Europa.''