Concertgebouworkest

De bijdrage van Melvyn Krauss in NRC Handelsblad van 22 april over het lijden van het Concertgebouworkest onder de medezeggenschap van haar leden bevat veel merkwaardigs.

Op het podium is geen inspraak mogelijk, maar met betrekking tot de overige bedrijfsvoering wil het orkestlid wel wat te zeggen hebben. Gebrek aan deze medezeggenschap werkt onverschilligheid in de hand en onverschillige musici zijn levensgevaarlijk voor een symfonieorkest.

De medezeggenschap of beter gezegd de medeverantwoordelijkheid heeft een bijzondere historische achtergrond. Van de Stichting Koninklijk Concertgebouworkest zijn de musici namelijk de mede oprichters. De orkestleden zijn verenigd in de Vereniging `Het Concertgebouworkest' opgericht in 1915. Sinds 1952 maken een aantal bestuursleden van deze Vereniging deel uit van het Stichtingsbestuur. Juist het idee dat de orkestleden als het ware gedeeltelijk eigenaar zijn van het orkest schept een grote verantwoordelijkheid.

De zinsnede in het artikel van Krauss over de gezondheid van scheidingen tussen chef-dirigent en orkest is volkomen juist. Daar is weinig aan toe te voegen. Zowel dirigent als orkest gaan op een gegeven moment op zoek naar nieuwe inspiratie, een volkomen natuurlijk proces dat bij alle orkesten voorkomt. Dat dit vaak een emotionele gebeurtenis is mag duidelijk zijn, maar het heeft uiteindelijk weinig te maken met de persoonlijke voorkeuren van orkestleden.

Overigens is Riccardo Chailly de eerste dirigent die door middel van een democratisch proces, dat wil zeggen door de orkestleden zelf, gekozen is. Dat kan de heer Krauss toch waarachtig geen slechte keus vinden. De enquêteformulieren worden in het archief van de Vereniging bewaard. Chailly is de vijfde chef-dirigent van het KCO en past daarmee in de traditie van uitzonderlijk lange verbintenissen tussen dirigent en orkest.

Gelukkig kent de orkestenwereld geen gouden handdruk of bonusregelingen voor dirigenten. Een goede dirigent is zeldzaam dus duur en een goede opvolger is ook zeldzaam en duur. Geen extra kosten dus voor publiek en belastingbetaler, voor de heer Krauss een belangrijke zorg minder.

Bij het KCO zoekt de dirigent niet de nieuwe orkestleden uit. Dat doet een collectief van chef-dirigent en orkestmusici.

Van een generatiekloof tussen jonge orkestleden en een ouder wordende dirigent is al helemaal geen sprake. Integendeel, de jongeren ervaren het als een voorrecht te kunnen spelen onder oudere dirigenten die voor de musici een legendarische status hebben.

Het zou een grote artistieke luxe zijn volkomen onafhankelijk van kaartverkoop te kunnen opereren. De werkelijkheid is anders. Wel draagt subsidie bij aan het pluriforme aanbod dat zijn weerga niet kent in de orkestwereld.