Stroopverkeer

In de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh rijdt het verkeer niet echt, maar kabbelt het. Dat stroopverkeer is beter dan files. Een natuurkundige verklaring.

Files ontstaan en verdwijnen. Is het zoiets als een vloeistof die kan vriezen en dooien? Op bezoek in een tropisch land groeide mijn inzicht, ik zag de voordelen van verkeer als stroperige vloeistof. Je kunt verkeer ook als een poederstroom zien, met kans op klontjes.

In de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh rijdt het verkeer niet echt, het kabbelt. Ik was er een paar dagen deelnemend getuige van. Er zijn best veel auto's, al kun je het niet met echte derdewereldmetropolen vergelijken. Maar die auto's kunnen niet hard rijden, want het autosysteem wordt gepest door het brommersysteem. Er zijn in Phnom Penh wel vijf keer zoveel brommertjes per vierkante meter als in Italiaanse steden. Die houden de auto's in toom.

Op de brommer, daar heb ik een paar keer als taxipassagier achterop gezeten, ga je in een rustig tempo door het vlechtwerk van spontaan opduikende routes tussen de andere brommers en de auto's. De auto gaat soms iets harder, maar zijn vlechtwerk is niet zo subtiel, dus die moet soms stapvoets. Dat gebeurt bijvoorbeeld als een andere auto de weg over moet steken, of gewoon midden op straat gaat keren. Dat ziet men blijkbaar van verre, want niemand komt echt tot stilstand, men tempert de snelheid zo, dat iedereen als in een stroperige vloeistof in beweging kan blijven. Stoplichten zijn er niet. Verkeersregels? Bewegen en laten bewegen, dat is het zo ongeveer. De stemming is goed, geen claxons of geheven vingers.

De Nederlander in mij denkt dan aan de files die wij altijd hebben, met of zonder stoplichten (een rij bij een rood licht is ook een file, maar dan een waarover is nagedacht). En aan die proef op de A1 waar iedereen ten hoogste 70 moest rijden, om de zaak fluïde te houden, zoals het in Frankrijk op de borden heet, vloeibaar dus.

Die proef was gebaseerd, las ik ooit in het tijdschrift Natuur en Techniek, op ervaringen in experimenten aan de Universiteit Twente met granulaire materie. Vergeet het woord maar weer, het gaat om korrels die trager op gang komen dan tot stilstand, door de inelasticiteit van hun botsingen. Een probleem in de geneesmiddelenindustrie, waar je het werkzame poeder gelijkmatig over de vulstof wilt verdelen, maar laten we er niet te veel toepassingen bijhalen. Het gaat nu om de auto's, ook al botsen ze niet, ze gedragen zich in hoge mate als die korrels: ze remmen in veel minder seconden af tot stilstand dan ze nodig hebben om tot hun oude snelheid op te trekken. Dat geeft klontjes, of files.

Als je kunt voorkomen dat auto's hard gaan rijden om dan ineens diep in de remmen te moeten, kun je het verkeer in beweging houden. Bij de A1-proef hielp dat wel, herinner ik me, al was de gemiddelde snelheid van het traag vloeibare verkeer iets lager dan van het snelle, maar steeds vriezende en dooiende verkeer dat we normaal in de spits hebben. Dat van die gemiddelde snelheid wordt nog verder uitgezocht.

De lage snelheid werd op de A1 gerealiseerd met een verplichting, een norm met een waarde van 70 kilometer per uur, en gehandhaafd door strikt cameratoezicht dat door chagrijnige tegenstanders als autootje pesten wordt aangeduid. Van de Phnom-Penh'ers kunnen we leren dat het gewoon met ontspannen pestende brommertjes kan. En de stemming blijft er goed.