Ondervragen wordt je geleerd, de rest niet

Wie wordt opgeleid als militair ondervrager, krijgt te maken met een bewust gecreëerde dubbelzinnigheid. Het is deze grijze zone die martelingen mogelijk maakt, meent

Michael Manning op basis van eigen ervaringen.

Iedere nieuwe onthulling over slechte behandeling, mishandeling en seksuele vernedering van Iraakse gevangenen door Amerikaanse en Britse militairen schokt de internationale publieke opinie, waarna vertwijfelde functionarissen uit alle macht proberen de schade te beperken. De Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld waarschuwt dat er meer bewijsmateriaal over de wandaden in de gevangenis Abu Ghraib aankomt – klaarblijkelijk in de hoop dat daarmee dan het einde van de euveldaden zal zijn bereikt.

Als voormalig ondervrager van de Amerikaanse inlichtingendiensten ben ik ervan overtuigd dat de beelden uit Abu Ghraib nog maar het begin zijn. De losgeslagen wreedheid aldaar wijst maar al te duidelijk op een falend systeem.

Maar welk systeem heeft gefaald? Lag het aan de tucht en de opleiding? Zijn onervaren en wereldvreemde reservisten in een moeilijke situatie gebracht, met een abrupte uitbreiding van hun taken, waarna zij onderbemand zijn geconfronteerd met een groeiende stroom gevangen opstandelingen? Of berust de systematische mishandeling op orders van superieuren om de gevangenen voor ondervraging `te kneden'?

Het meest aannemelijke antwoord is: allebei en geen van beide.

Misstanden zoals zich in Abu Ghraib hebben voorgedaan, berusten uiteindelijk op een beleid van `bewuste dubbelzinnigheid' ten aanzien van de behandeling van gedetineerden. In een oorlogssituatie staat men onder immense druk om informatie te bemachtigen die levens zou kunnen redden. Evengoed proberen hoge politieke en militaire functionarissen – vooral in democratieën – zoveel mogelijk iedere associatie met foltering te vermijden. Dubbelzinnigheid is derhalve een politieke strategie die de verbreiding van onuitgesproken, informele gedragsregels in de hand werkt, waarbij de verantwoordelijkheid wordt afgeschoven naar de laagste, zwakste militairen, aan wie weinig verloren is.

Eind jaren '80 heb ik, na mijn studie Russisch aan het taleninstituut van Defensie in Monterey (Californië), de basiscursus ondervraging van drie maanden doorlopen. Het was een zware cursus – slechts 7 van de 33 studenten hebben hem afgemaakt –, die inhield dat je je de technische finesses eigen moest maken van het vergaren, controleren, standaardiseren en rapporteren van enorme hoeveelheden informatie.

Op het punt van ondervragingstechnieken was die cursus veel minder precies.

Wij kregen te horen dat een ondervraging moest beginnen met beleefde, rechtstreekse vragen, omdat sommige gedetineerden maar al te graag kwijt willen wat ze weten. Was sterkere overreding nodig, dan konden wij beloningen uitloven voor wie wilde meewerken – dat kon alles zijn, van sigaretten tot politiek asiel.

Daarna, zo werd ons geleerd, konden wij `druk uitoefenen'. Die term is nooit in een formeel kader gedefinieerd, maar het concept was niet moeilijk te vatten. Zoals generaal Antonio Taguba van het Amerikaanse leger in zijn rapport over de misstanden in Abu Ghraib stelde, hielp de ,,bewakingsploeg [...] actief mee de voorwaarden te creëren voor een geslaagde exploitatie van de geïnterneerden''.

Deze evidente schending van de militaire regel dat de militaire politie niet mag deelnemen aan ondervragingen, verrast mij niet. Ik heb nooit geleerd dat de militaire politie onder een aparte bevelshiërarchie viel.

Integendeel, tussen de lessen door, tijdens pauzes in de training te velde en in andere informele situaties, lieten sommige van onze instructeurs – doorgaans oudere, meer ervaren ondervragers – doorschemeren dat wij mensen die niet meewerkten konden laten slaan door de bewakers.

In de lessen werd dat nooit gezegd, maar zelfs daar werd duidelijk gemaakt dat de militaire politie ten dienste stond van de ondervragers. De effectiviteit van de ondervrager hangt tenslotte af van de mate waarin hij de gedetineerde weet te doordringen van zijn almacht. Als een ondervrager beter eten of een extra deken belooft, dan `moeten' de bewakers die leveren; als een ondervrager wil dat de cel van een gedetineerde de hele nacht fel verlicht wordt, dan moet ook dat gebeuren. De gedetineerde moet zonder meer geloven dat de ondervrager zijn lot volkomen in handen heeft.

Officiële erkenning van de verborgen regels van het spel werd het dichtst benaderd tijdens twee weken van ononderbroken gesimuleerde ondervragingen tegen het einde van de opleiding. Deze sessies behelsden slechts een leerling-ondervrager, een instructeur in de rol van gedetineerde, en een videocamera.

Toen ik tijdens een ondervraging een denkbeeldige bewaker vroeg om de stoel van de gedetineerde weg te nemen, deed de instructeur alsof hij met geweld van zijn stoel werd getrokken. Toen ik de niet-bestaande bewaker opdroeg de gedetineerde te slaan, speelde de instructeur het spel mee. Wij wisten allebei dat een mislukte ondervraging mij mijn plaats in de opleiding zou kunnen kosten. Maar dat gebeurde niet; ik eindigde als beste van mijn klas.

Voor wie profiteert van het beleid van dubbelzinnigheid, is het internationaal recht een onmisbaar rekwisiet. In zijn recente verklaring voor de Amerikaanse Senaat heeft Rumsfeld beweerd dat de militaire politie in Abu Ghraib de opdracht had om zich aan de Geneefse conventies te houden.

Die opdracht had ik ook. Tijdens mijn hele opleiding tot ondervrager ging vrijwel iedere mededeling over het `uitoefenen van druk' gepaard met de waarschuwing de Geneefse conventies in acht te nemen. Jammer genoeg werden, anders dan het `uitoefenen van druk', de Geneefse conventies nooit gedefinieerd. Wij hebben ze nooit bestudeerd, wij kregen ze niet te lezen, laat staan dat wij erover werden geexamineerd. Voor velen van ons – tieners of iets ouder – waren de Geneefse conventies hooguit een vagelijk herinnerd cliché uit oorlogsfilms, iets als ,,je moet geen slechte dingen doen''.

De stilzwijgende regels vertelden een ander verhaal. Een instructeur zei een keer schertsend dat de Geneefse conventies dan wel niet toestonden om met een zwaar machinegeweer op een vijandelijke militair te vuren – dat zou namelijk ,,buitensporig gebruik van geweld'' zijn –, maar dat we wel op zijn helm of zijn rugzak konden vuren, want dat was ,,uitrusting''. Anderen vertelden anekdotes over het folteren van gedetineerden.

Of die praatjes wáár waren, deed er niet toe. Ons werd duidelijk gemaakt dat de officiële regels geen scherpe grenzen stelden, en dat wij de grenzen dús konden leggen waar we maar wilden.

Uiteindelijk zal Rumsfeld het misschien niet redden met het beleid van dubbelzinnigheid, want al die scherpe foto's uit Abu Ghraib zijn verre van dubbelzinnig. Als dit soort beschamende onthullingen doorgaan, en daarvan ben ik overtuigd, laten wij dan hopen dat officiële verontschuldigingen en veroordelingen ten slotte plaatsmaken voor bredere, meer oprechte rekenschap en hervormingen.

Michael Manning was als ondervragings-specialist verbonden aan het 142ste militaire

inlichtingenbataljon van de US Army National Guard.

©Project Syndicate, mei 2004