`Nederland vergooit zwemtalent'

Paulus Wildeboer (49) is al 25 jaar als zwemtrainer werkzaam in Spanje. Zijn twee zoons, Olaf (20) en Aschwin (18), doen deze week mee aan de EK in Madrid, en plaatsten zich onlangs voor de Olympische Spelen van Athene.

Eén vraag beklijfde gisteren na de historische overwinning van de Spaanse zwemsters op de 4x200 meter vrije slag. ,,Spanje's eerste estafettegoud ooit, maar waar was Nederland? Als je op de 4x100 vrij ruim vijf seconden sneller bent dan Spanje, dan mag en dan kan het niet zo zijn dat je vervolgens op de 4x200 bijna zes seconden inlevert op diezelfde tegenstander.''

Begin Paulus Wildeboer niet over de alarmerende staat van het Nederlandse (midden)lange-afstandszwemmen. In zijn vaderland regeert het sprintvirus, weet de zwemtrainer die al een kwart eeuw in Spanje woont en werkt. ,,De midden- en de lange afstanden staan in Nederland al meer dan twintig jaar stil. Daar zijn meer medailles te verdienen dan op de sprintnummers, en toch worden de afstanden van 200 meter en meer vreselijk verwaarloosd. Op de eeuwige ranglijst vind je namen terug als die van Enith Brigita. Met alle respect, maar dat zou natuurlijk niet mogen voor een land met in potentie zoveel talent.''

Een ander voorbeeld: ,,Vandaag zie ik Ewout Holst hier door het water gaan, een jongen met een imposant lichaam. Die is, zoals zovele Nederlanders, zeg maar `gemaakt' voor het zwemmen. Op de 50 vlinder kan hij aardig meekomen (gisteren zevende, red.), maar goed: wat is 50 meter? Een niet-olympisch nummer en een kwestie van wie de hoogste slagfrequentie kan `draaien'. Met zwemmen heeft het weinig te maken. Op de 100 vlinder blijkt hij niet eens in staat zich te plaatsen voor de Olympische Spelen. Dan vraag ik je: hoe is dat in hemelsnaam mogelijk?''

Ook dat antwoord geeft Wildeboer zelf. ,,Nederland vergooit zijn talent. Omdat de belastbaarheid op jonge leeftijd niet wordt aangepakt. Je kan het de jeugd zelf niet eens kwalijk nemen. Het is voor hen onbekend terrein. Ik zeg niet dat kwantiteit boven kwaliteit gaat, maar hard en veel trainen is in Nederland niet aan de orde. De internationale standaard voor een zwemmer op de midden-langeafstand is zeventig kilometer per week. In Nederland houdt het op bij veertig.''

Maar wat graag was Wildeboer twee jaar geleden dan ook ingegaan op de open invitatie van de Nederlandse zwembond. Hij kon aan de slag als bondscoach, als opvolger van de afgeserveerde Belg Stefaan Obreno. ,,Natuurlijk voelde ik me vereerd. Na zo'n lange tijd in Spanje te hebben gewerkt, dacht ik: ze zullen me wel vergeten zijn. Maar nee dus. Ik wilde dolgraag, want ik zag voldoende mogelijkheden. Ook al zou ik minder gaan verdienen dan nu als clubcoach in Spanje, en zou het een enorm gevecht zijn geworden. Zeker op de midden-langeafstanden.''

Zijn jongste zoon, rugslagzwemmer Aschwin (18), stond een terugkeer naar Nederland in de weg. Zijn vader: ,,Ik heb de familie bijeen geroepen en gevraagd: wie is voor en wie is tegen? Olaf (oudste zoon en eveneens semi-professioneel zwemmer, red.) wilde wel. Hij zag het al helemaal voor zich: in Athene samen met Pieter (Van den Hoogenband, red.) in de 4x200-ploeg. Daar wilde hij zijn Spaanse paspoort graag voor opgeven. Maar Aschwin verzette zich. Hij heeft een Latijnse inslag. Nederland is voor hem de ver-van-mijn-bed-show.''

En dus bleef Wildeboer in Sabadell, een voorstad van Barcelona met ruim 220.000 inwoners. Als technisch directeur van Club Natacio Sabadell, een omni-sportclub met liefst 35.000 leden, zes zwembaden en zes fulltime-zwemtrainers. Het is na grootmacht FC Barcelona de grootste sportvereniging van Catalonië, zegt de voormalige trainer van VZC uit Veenendaal die in 1979 ,,op goed geluk'' neerstreek in Spanje.

Toch zou hij graag elders aan de slag gaan, want: ,,Zwemmen in Spanje stelt niet zoveel voor. Het is 99 procent voetbal, en dan komt de rest. Ik mag niet klagen, want Sabadell is een prima werkgever met prima faciliteiten. Maar ook bij ons wordt de geldkraan langzaam maar zeker dichtgedraaid. Ik heb het ooit uitgerekend: een topzwemmer onderhouden kost jaarlijks 30.000 euro. Dat geld is er niet, of in elk geval onvoldoende. De bond of de overheid moet nu over de brug komen, want anders kunnen we de volgende olympische cyclus op onze buik schrijven.''

Met lichte tegenzin begon de Spaanse ploeg (46 deelnemers) maandag aan de Europese kampioenschappen langebaan (50 meter) in eigen land. Zeker Wildeboer, die in Madrid tien zwemmers begeleidt. ,,We hadden geen keuze. Ook al doorkruist het toernooi ons trainingsprogramma op weg naar `Athene'. Mede daarom stelde Olaf maandag teleur op de 400 vrij. Maar met de tijd die hij in maart bij de olympische kwalificatiewedstrijden in Cadiz zwom, had hij hier goud gewonnen.''

Succes zoals gisteren op de 4x200 kan het Spaanse zwemmen goed gebruiken, weet Wildeboer. Want de sport worstelt met een smalle en dus wankele basis. Het land teert vooral op de roem van de inmiddels gestopte Martin Lopez Zubero, meervoudig wereld- en Europees kampioen op de rugslag. ,,Van de tien olympische deelnemers zijn er vijf, onder wie Olaf en Aschwin, met buitenlands bloed. Dat is veelzeggend. Lopez Zubero was ook een `halve Spanjaard': zijn moeder is Amerikaanse. De meeste Spaanse ouders duwen hun kinderen richting een balsport, want daar is het grote geld te verdienen. Zwemmen vergt overgave, en ook dat kunnen veel jongeren steeds moeilijker opbrengen. Ja, ook de Spaanse jeugd wordt steeds mondiger en brutaler.''

Spanje heeft bovendien last van een minderwaardigheidscomplex, weet de oud-vlinder- en rugslagzwemmer uit Dedemsvaart. ,,Alles van boven de Pyreneeën deugt, alles ten zuiden van de Middellandse Zee niet. Zo redeneert de gemiddelde Spanjaard. Het begint langzaam te veranderen, maar kijk naar de sport. Op sleutelposities zitten buitenlanders, zeker in het voetbal. Als Spanje bij een groot toernooi vervolgens op zichzelf aangewezen is, dan speelt de ploeg met samengeknepen billen. Daarom is het geen toeval dat ze nooit ver komen.''