`Ik help geen mensen, ik keur ze'

Op 1 juli begint de herkeuring van 455.000 bestaande WAO'ers volgens aangescherpte criteria. `Nieuwe' WAO'ers krijgen alleen een uitkering als vaststaat dat zij de komende vijf jaar niet kunnen werken. Het inkomen van ongeveer een half miljoen Nederlanders hangt direct af van het oordeel van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.

Peter Lamberts oogt een beetje gespannen als hij aan de verzekeringsarts uitlegt waarom hij niet kan werken. ,,Ik kreeg een aantal sterfgevallen voor de kiezen. Dat was heftig. Ik heb mijn vader verzorgd tot zijn overlijden. Daarna was het kwakkelen, en kreeg ik weinig begrip van mijn werkgever.''

Lamberts (36) werkte als vervoerder in de zorg en zit al bijna een jaar ziek thuis. Omdat het ziektegeld binnenkort ophoudt, heeft hij een WAO-uitkering aangevraagd. Vandaag is hij bij keuringsarts Maria Kroon van UWV in Leiden voor het eerste deel van de WAO-keuring, de medische keuring. Over een paar weken volgt het gesprek met de arbeidsdeskundige, die beoordeelt welk werk Lamberts nog kan verrichten met de door de arts geconstateerde medische beperkingen. En wat hij daarmee kan verdienen, want dát bepaalt of Lamberts in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.

Kroon ziet deze morgen twee mensen, Peter Lamberts en Janneke Klein (beiden willen niet met hun echte naam in de krant). In een gesprek van ruim een uur, inclusief medisch onderzoek, moet Kroon vaststellen wat zij nog kunnen. Dat lijkt kort, maar Kroon krijgt van tevoren veel informatie. ,,In het dossier zitten alle gegevens van de Arbo-arts. En sinds vorig jaar, toen de wet Poortwachter in werking trad, ook een reïntegratieverslag, een probleemanalyse, een plan van aanpak, et cetera.''

In de kamer waar Kroon de aanvragers ontvangt hangen kleurige ansichtkaarten aan de muur. Er staan wat planten en tegenover het vrijwel lege bureau-met-computer staan een paar stoelen. ,,Er komt vaak iemand mee. Een bezoek aan de keuringsarts is voor veel mensen erg spannend.''

Kroon legt Lamberts het doel van het gesprek uit: ,,Ik wil een beeld krijgen van hoe het met u is gegaan, hoe het nu gaat, en hoe het in de toekomst zal gaan.'' Ze vraagt naar zijn huidige medische conditie (,,ik heb nu medicijnen voor suikerziekte''), zijn sociale situatie (,,alleenwonend'') en zijn hobby's (,,lezen, wandelen en figureren in films''). En dan mag Lamberts vertellen hoe het volgens hem zover gekomen is. Kort gezegd kreeg hij van zijn werkgever niet genoeg tijd om te rouwen, waardoor de communicatie op het werk steeds moeizamer verliep.

,,Wat zouden de belangrijkste problemen zijn als u morgen weer aan het werk zou gaan?'', vraagt Kroon. Als Lamberts daarover niet al te negatief lijkt, dringt Kroon er op aan dat hij weer bij zijn werkgever aan de slag gaat. ,,Al was het maar om vanuit die functie te kunnen solliciteren.'' Later antwoordt ze op de vraag of dat niet erg streng is: ,,Nee hoor. In dit werk zie je dat veel problemen tussen werkgevers en werknemers opgelost kunnen worden. Je moet het incasseringsvermogen van mensen niet onderschatten.'' Volgens Kroon is dat de kunst van mensen keuren: in korte tijd de belastbaarheid van mensen inschatten. Dat speelt vooral bij psychische klachten naar aanleiding van bijvoorbeeld sterfgevallen of arbeidsconflicten. De verzekeringsarts moet dan vaststellen of die klachten een normale reactie op de gebeurtenis vormen, waarbij het kan helpen om weer aan de slag te gaan, of dat het dieper zit. ,,Vergeet niet, je bent geen behandelend arts, je helpt geen mensen. In feite beoordeel je een verzekeringsclaim.''

Het onderzoek door de keuringsarts mondt uit in een cruciaal document voor de WAO-aanvraag: de functionele-mogelijkhedenlijst, FML genoemd. Door die te vergelijken met het `banenbestand' van UWV bepaalt de arbeidsdeskundige wat iemand nog kan verdienen. De lijst is een droge opsomming van wat gezonde mensen verondersteld worden te kunnen: buigen, zitten (vier uur onafgebroken), tillen (15 of 20 kilo per keer, zoveel keer per uur) enzovoorts, maar ook zaken als goed omgaan met conflicten en het kunnen onderhouden van sociale contacten. Als een aanvrager daarvan afwijkt, komt dat op de lijst. Kroon heeft de FML in overleg met Lamberts ingevuld. Op zijn lijst staan maar een paar beperkingen. Vooral nachtdiensten zijn voorlopig geen goed idee.

Bij de volgend cliënt, Janneke Klein, komt Kroon niet eens toe aan het invullen van een FML. De administratief medewerkster, die haar dochter heeft meegebracht, heeft in het afgelopen jaar vijf longontstekingen gehad en heeft nu een ernstige virusinfectie. Omdat ze daardoor overdag veel slaapt, kan ze niet werken. De vrouw, die een hese stem heeft, is wel weer een paar keer begonnen met werken, maar moest daar telkens mee ophouden door nieuwe longontstekingen. ,,Ik schrijf een advies dat u de komende twee maanden niet kan werken. Voor die tijd krijgt u dan WAO, en ik roep u over twee maanden weer op om te kijken hoe u weer aan het werk kunt'', besluit Kroon het gesprek na een half uur. Hier hoeft geen arbeidsdeskundige aan te pas te komen.

Peter Lamberts is een paar weken later terug bij UWV in Leiden, dit keer voor een gesprek met arbeidsdeskundige Harry Fontein. Over zijn aandeel in de keuring van WAO'ers zegt Fontein: ,,Een van de grootste misverstanden over de WAO is dat arbeidsongeschiktheid direct afhangt van iemands medische toestand. Men denkt vaak dat iemand die 50 procent arbeidsongeschikt is door zijn ziekte nog maar de helft van de tijd kan werken. Maar in werkelijkheid betekent het dat hij nog maar de helft van zijn oude inkomen kan verdienen met het soort werk dat hij met zijn ziekte nog kan doen. Dat werk kan best fulltime zijn.''

Fontein geeft routineus de wettelijke definitie van arbeidsongeschiktheid: ,,Dat iemand als gevolg van ziekte of gebrek een verlies aan verdiencapaciteit heeft.'' De mate van dat verlies bepaalt de mate van arbeidsongeschiktheid.

De gesprekken bij de arbeidsdeskundige zijn vaak moeilijker dan bij de keuringsarts. Hij moet het slechte nieuws brengen, zegt Fontein. Veel mensen krijgen van hem te horen dat zij theoretisch nog vrijwel hetzelfde kunnen verdienen als voorheen, en dus geen WAO krijgen. Theoretisch, want wat iemand nog kan verdienen met zijn beperkingen wordt bepaald aan de hand van een bestand met bestaande arbeidsplaatsen in Nederland. Niet van vacatures. Het gaat erom of het werk bestaat, niet of de aanvrager het werk ook kan krijgen. ,,De WAO verzekert niet het werkloosheidsrisico'', zegt Fontein.

Dit bestand is beslissend voor de WAO-beoordeling. Zeventigduizend bestaande banen in Nederland zijn geanalyseerd naar hun belasting (volgens dezelfde categorieën als de FML), het opleidingsniveau en ten slotte het uurloon. Deze banen zijn onderverdeeld in 300 standaardberoepen, zoals kassamedewerker, inpakker, bejaardenhulp. Binnen de beroepen worden 7.000 functies onderscheiden. In totaal dus 70.000 arbeidsplaatsen. En de WAO-beoordeling komt uiteindelijk neer op de volgende vraag: of er in dat bestand voor deze aanvrager, met deze beperkingen, drie functies te vinden zijn, met in totaal ten minste dertig arbeidsplaatsen, en wat het uurloon daarvan is. Het uurloon dat telt is het middelste van de drie bestverdienende functies. Het verschil tussen dát uurloon en het loon van de aanvrager bepaalt het percentage dat iemand arbeidsongeschikt is.

Sinds de veelbesproken stelselwijziging van 1993 hoeft in het bestand niet meer alleen te worden gezocht naar functies die passen bij de opleiding en werkervaring. Dat heeft natuurlijk wel de voorkeur, omdat dat een hoger uurloon oplevert. ,,En de opdracht is zo min mogelijk mensen in de WAO te krijgen'', zegt Fontein.

Hij geeft het voorbeeld van de hoogleraar met burn-out. ,,Vroeger mocht je dan alleen zoeken naar functies in zijn eigen opleidingsniveau. Dat leverde vrijwel altijd een volledige arbeidsongeschiktheid op, omdat je dan bij vergelijkbare functies uitkomt die hij door zijn psychische problemen niet kan doen.'' Sinds 1993 moet de hoogleraar ook bereid zijn caissière te worden.

,,Dan zijn er wel genoeg functies die geen stress opleveren'', zegt Fontein. Maar die zijn zo laagbetaald dat er een loonverlies is van meer dan 80 procent: volledig arbeidsongeschikt. ,,Wij noemen dat AO op arbeidskundige gronden.'' Dat komt bij de lagere inkomens niet voor. Dezelfde fysieke klachten kunnen dus tot zeer verschillende WAO-percentages leiden, en dat levert volgens Fontein veel onbegrip op.

Bij Peter Lamberts is het eenvoudiger. Fontein weet al voordat hij binnenkomt dat er meer dan voldoende functies te vinden zijn die ten minste hetzelfde inkomen opleveren als zijn oude inkomen: beveiligingsmedewerker, meteropnemer, baliefuncties, noem maar op. Dat betekent dat hij géén verlies van verdiencapaciteit heeft, en dat hij valt in de categorie `WAO-percentage lager dan 15'. In die categorie bestaat geen recht op een uitkering.

Fontein wil in het gesprek te weten komen of Lamberts zijn eigen werk nog kan doen, al dan niet aangepast. Zo ja, dan heeft hij geen recht op een WW-uitkering als hij het werk niet meer doet: vrijwillig werkloos. Zo niet, dan krijgt hij wel een WW-uitkering.

Nadat Fontein de inleiding heeft gegeven over het verlies van verdiencapaciteit, begint hij over de enige echte beperking die uit het medisch onderzoek is gekomen, de nachtdiensten. Daarvan zegt Lamberts: ,,Ik had te veel tijd nodig om ervan bij te komen. En het werk bestond voornamelijk uit nacht- en weekenddiensten.''

Fontein stelt de hamvraag. ,,Als ik u vraag waarom u niet in staat bent uw eigen werk te verrichten, wat zegt u dan?'' Lamberts: ,,Dat zijn toch die nachtdiensten.''

Fontein oordeelt dat Lamberts niet geschikt is voor zijn eigen werk.