Zwijgen is soms werkelijk goud

Tot de redelijk bewaarde goede zeden in het politieke bedrijf behoort dat iemand die afstand heeft gedaan, of heeft moeten doen, van een bestuurlijke functie, zich zoveel mogelijk onthoudt van commentaar op zijn of haar opvolger. Na zijn vertrek uit de actieve politiek onderwierp oud-premier Lubbers zijn opvolger Kok dus niet aan openbare bespiegelingen. Kok deed dat op zijn beurt tot nu toe niet met Balkenende, al zal hem dat soms best enige moeite hebben gekost.

Het is een mooie gewoonte, die twee dingen tegelijk weergeeft: enerzijds het besef dat de eigen tijd in die functie achter de rug is, dat er andere tijden gekomen zijn, en anderzijds respect voor het gewicht van die functie en de nu geldende verantwoordelijkheid van de opvolger. Bovendien kan zulke terughoudendheid worden bepaald, bijvoorbeeld in een politiek beladen kwestie, door vertrouwen in wat de partijgenoten ermee zullen doen. Buiten de politiek zouden zulke overwegingen trouwens ook vaker mogen gelden. Kijk naar de voetballerij, waar je na elke interland de vorige bondscoach, de in die hoedanigheid mislukte Van Gaal, voor de televisie commentaar kunt horen leveren op zijn opvolger, Advocaat, althans op de opstelling, het spel en de tactiek van diens ploeg. Vrijheid, blijheid, het is maar voetbal, daar niet van, maar toch denk je af en toe: zou die Van Gaal niet beter kunnen afzien van zo'n voor hem eigenlijk potsierlijke nevenfunctie als Oranje-recensent?

Het tweede kabinet-Balkenende is er nog geen jaar, maar oudminister Jan Pronk wist dezer dagen al voor de tweede keer openlijk de staf te breken over een minister uit dat kabinet. Hij kán niet zwijgen. Eerst had hij geprobeerd, zij het zonder succes, om minister Verdonk (Vreemdelingenbeleid) over de knie te leggen. Trefwoord: `deportatie'. Eind vorige maand kwam haar collega Dekker (VROM) aan de beurt. Haar Nota Ruimte week volgens Pronk zó ongunstig af van de eerder door hemzelf uitgebrachte Vijfde Nota ruimtelijke ordening dat hij mevrouw Dekkers werkstuk kwalificeerde als een ,,overwinning van Economische Zaken''. Nu is Pronk, 64 jaar inmiddels, een geval apart. Ook in de lange jaren dat hij zelf minister was had hij, als dat zo uitkwam, weinig op met sommige Haagse mores. Zo fungeerde hij in het kabinet-Den Uyl (1973-1977), waarin hij Ontwikkelingssamenwerking deed, graag als een zelfbenoemde schaduwminister van Buitenlandse Zaken, zelden tot vreugd van de echte minister, zijn partijgenoot Van der Stoel. In het eerste kabinet-Kok (1994-1998), waarin Pronk weer Ontwikkelingssamenwerking deed, kreeg de minister van Buitenlandse Zaken, Van Mierlo, op een vergelijkbare manier met hem te maken. ,,Uiteindelijk worden Pronk en ik het altijd wel eens'', zei Van Mierlo eens in het vliegtuig, na een bezoek aan enkele Afrikaanse landen, tegen meegereisde journalisten. Om vervolgens op tien kilometer hoogte twee uur lang te spreken over de dingen waarover zij het niet eens waren. Enige tijd later zouden de twee ministers nog een twistgesprek voeren in een blad van hun ministerie, wat een eigenaardig zicht gaf op de spreekwoordelijke eenheid van regeringsbeleid.

In het tweede kabinet-Kok (1998-2002) belandde Pronk op VROM, maar dat belette hem niet om te pas en te onpas publiek te maken dat er veel mis was in wat zijn partijgenote Herfkens op Ontwikkelingssamenwerking deed. In datzelfde kabinet was Pronk zijn premier openlijk een paar dagen te snel af inzake de vraag of, en welke, consequenties moesten worden verbonden aan een rapport van Oorlogsdocumentatie over Srebrenica. Anders gezegd: voordat Kok in de Tweede Kamer kon zeggen dat hij aftrad, had zijn vriend Pronk dat al gedaan voor radio en tv.

Spijt? Welnee. Evenmin als van dat woord `deportatie', dat hij als voorzitter van VluchtelingenWerk, ook in het belang van die organisatie, natuurlijk best had kunnen terugnemen. Kortom, Pronk, een man van twee lagen, van huis uit een Scheveningse protestant, socialist vervolgens, kent een eigen maat, waarvoor de stelligheid van zijn inzichten een belangrijke factor is. Zo gezien is het niet eens zó erg verbazend dat hij, hoewel nu uit het eerste politieke gelid verdwenen, nog steeds met rokende colt rondgaat. Maar een echt mooie western zal het voor deze ooit zo geduchte schutter niet meer worden. Integendeel, de betrekkelijke stilte die volgde nadat hij dit voorjaar de Tweede Kamer had opgeroepen hem in zijn verbale controverse met mevrouw Verdonk alsnog gelijk te geven, was veelzeggend en in sommige opzichten ook wel, zijn carrière in aanmerking genomen, enigszins tragisch. Daar stond hij, een vroeger beroemde sheriff, bijna alleen in de Haagse saloon.

Toen PvdA-roerganger Den Uyl eind 1977 na een krankzinnige kabinetsformatie een tweede premierschap in rook had zien opgaan, kreeg hij uit de kring van zijn kroonprinsen het advies om zichzelf niet als oppositieleider te gaan ,,verslijten'' aan de interruptiemicrofoon in de Kamer. In plaats daarvan zou hij, waar het aan de macht gekomen kabinet-Van Agt maar een kleine meerderheid had en toch niet lang zou zitten, er goed aan doen buiten de Kamer afstand te bewaren tot, spoedig, betere tijden zouden komen, zeiden die kroonprinsen hem in vertrouwen. Maar Den Uyl deed dat niet, hij vertrouwde hun advies niet helemaal en ging in de Kamer zitten, waarvoor hij met recht is geprezen. Afgesproken werd wél dat interruptiedebatten zoveel mogelijk door vice-fractievoorzitter Van Thijn zouden worden gedaan. Maar toen die dat de allereerste keer zou gaan doen, in het debat over de regeringsverklaring, stond Den Uyl al aan de interruptiemicrofoon voordat Van Thijn had kunnen opstaan. Zo bleef het, vier jaar lang, prachtig vaak. Maar soms, wanneer de details door de zaal vlogen, maakte die woedende oud-premier aan de microfoon ook een potsierlijke indruk. Hij zou erbij hebben gewonnen wanneer hij wat vaker had gezwegen. Zo was het ook met de West-Duitse kanselier Helmut Schmidt, een groot man en een groot kanselier (1974-1982). Na zijn aftreden, na acht jaar, bleef hij in het blad Die Zeit onophoudelijk zijn opvolger Kohl, die zestien jaar kanselier was, uitleggen hoe die zijn werk eigenlijk moest doen. Dat werd gaandeweg een tikje potsierlijk. Voor Schmidt geldt ook dat hij nóg iets groter zou zijn gebleven als hij in die zestien jaar vaker had gezwegen. Want soms is zwijgen inderdaad goud.