Verder kijken dan Peking

China's grote steden groeien en bloeien, maar hoe is de welvaart over het Chinese achterland verdeeld? Onze correspondent gaat er per auto op uit, op zoek naar de antwoorden.

Hoe ver en hoe diep reikt China's economische wonder? Hoeveel merken de boeren die in het arme, droge noordwesten van het land wonen daar bijvoorbeeld van? Wordt daar ook zo veel gebouwd, en neemt de welvaart er zichtbaar toe? Dat valt vanuit een grote, welvarende stad als Peking eigenlijk niet goed te beoordelen. Er is nu eenmaal geen persvrijheid in China, dus je hoort ook als journalist nog steeds voornamelijk wat de overheid wil dat je hoort.

Vrijwel alle buitenlandse journalisten wonen in Peking, en als je genoeg geld hebt, dan is het hier en daar heel aangenaam. Zo zijn de bomen en het gras fris groen van kleur, wat prettig maar ook vreemd is, want het regent heel zelden in de stad, die een woestijn-achtig klimaat heeft. Maar er zijn grote ploegen plattelanders voortdurend in de weer met tuinslangen en sproeiers om de Chinese hoofdstad zo aantrekkelijk mogelijk aan de buitenwereld te presenteren.

En dat lukt: de meeste buitenlandse bezoekers zijn diep onder de indruk van de enorme hoeveelheid gebouwen in aanbouw, van de nieuwe, luxe shopping malls waar je dezelfde merkkleding kunt krijgen als in New York of Tokio, en van de goed geklede, hoogopgeleide stadsbevolking.

Maar even buiten Peking begint het uitgestrekte platteland, waar nog steeds zo'n 800 miljoen van China's 1,3 miljard mensen wonen. Hebben die wel genoeg water om hun gewassen te verbouwen? Zijn zij blij met hun regering? Wat merken zij van de economische groei? En leven Chinese minderheden als de Mongolen en de moslims inderdaad in zo'n grote harmonie samen met de meerderheid van de Chinezen als de liederen van de zang- en dansgroepen die optreden voor toeristen in Peking doen voorkomen?

Om daar een indruk van te krijgen, moet je zelf gaan kijken op vergeten plekken die zelden door een journalist bezocht worden. Daar kom je vrijwel alleen met de auto, maar het is niet zeker of het ook lukt om ongestoord en zonder Chinese chauffeur of gids het binnenland in te trekken. Dat heeft de Chinese overheid in elk geval liever niet, zeker niet als die auto ook nog eens een diplomatiek kenteken heeft.

De komende twee weken volgt op deze plek het verslag van een reis naar de arme gebieden ten westen van Peking, die via Datong naar de Binnen-Mongoolse steden Hohhot en Baotou en de Mongoolse woestijn moet leiden. Als het lukt, dan gaat de reis verder naar Yinchuan in de moslimprovincie Ningxia, waarna we langs een stuk van China's Grote Muur terugreizen naar Yulin in Shaanxi. Dan komen we via de voor boeddhisten heilige berg de Wutaishan weer in Peking uit.

Niet het verblijf in de grotere steden, maar juist de stops onderweg in de kleinere plaatsen moeten inzicht geven in de vraag wat het effect is van China's hoge groeicijfers op het leven van arme Chinezen in de meer geïsoleerde gebieden. Ontstaat er een nieuwe, rijke elite in de grote steden die de rest van de bevolking van zijn nieuwe welvaart uitsluit, of sijpelt de welvaart wel degelijk door naar het arme platteland? Immers, dat is wat de Chinese regering beweert. De miljoenen boeren die naar de stad trekken voor werk sturen ieder jaar miljarden Chinese yuans naar huis. Maar is dat ook zichtbaar?

We komen er op deze reis ook meteen achter in hoeverre de `nieuwe openheid' die volgens sommige buitenlandse waarnemers is ontstaan na China's `voortvarende aanpak' van de sars-crisis vorig jaar, zich ook vertaalt in een grotere vrijheid voor buitenlanders om zelf rond te kijken in China's onmetelijke achterland.