In Den Haag knaagt twijfel over missie

Het kabinet moet binnenkort een besluit nemen over de missie in Irak. De Haagse consensus staat onder druk.

Het sneuvelen gisteravond van een Nederlandse militair in As Samawah zet het belangrijkste dilemma van de Haagse politiek op dit moment verder op scherp: moeten de Nederlandse troepen in Irak blijven of weggaan? Op 17 juli loopt de termijn af waartoe Den Haag zich eerder had verplicht, maar de Amerikanen stellen verlenging van de Nederlandse militaire inzet op prijs. Het kabinet moet hierover binnen enkele weken een besluit nemen, en daarna moet de Tweede Kamer zich erover uitspreken.

De Iraakse provincie Al-Muthannah, waar de bijna 1.300 Nederlanders hun werk doen, was tot nu toe vrij rustig gebleven, enkele mortieraanvallen daargelaten. Die rust maakte het mogelijk vast te houden aan de officiële argumentatie voor de Nederlandse aanwezigheid: helpen bij de opbouw van een democratisch Irak.

De Nederlanders leiden Iraakse politieagenten op, en naar het schijnt verloopt het overleg met de lokale autoriteiten – een raad van notabelen – constructief. De shi'itische en andere groeperingen, die zich elders in Irak aan een guerrilla-achtige oorlog tegen de bezettingstroepen overgeven, leken tot voor kort Al-Muthannah te hebben overgeslagen, of kregen bij de lokale bevolking maar weinig aanhang.

Dat dit alles slechts een kwestie van tijd kon zijn – daarvan waren de afgelopen weken kabinet en Kamer zich al bewust. Het gaf aan de debatten over een mogelijke verlenging van de Nederlandse militaire aanwezigheid iets onwezenlijks: terwijl elders in het land de hel was losgebarsten, kon Den Haag nog zeggen dat de Nederlandse militairen in Irak als vredestroepen en opbouwwerkers fungeerden.

Maar alom in Den Haag knaagt de twijfel. En die is niet van gisteren: al in de aanloop naar de Irak-oorlog vorig jaar ontbrak het aan enthousiasme voor deze onderneming. Nederland verleende toen politieke, maar geen militaire steun aan deze oorlog.

Bovendien hanteerde Nederland een andere redenering dan de Amerikanen en de Britten. Die gingen voor het opsporen van Saddams massavernietigingswapens en het verbreken van de mogelijke band tussen het toenmalige Iraakse regime en Al-Qaeda. Nederland steunde – formeel – alleen de oorlog omdat Saddam in het verleden een aantal resoluties van de Veiligheidsraad niet naar behoren had uitgevoerd.

De achtergrond van deze argumentatie is duidelijk: de wens de band met de Amerikanen niet te verbreken is een constante in de Nederlandse buitenlandse politiek.

:pagina ]

Er was het kabinet Balkenende veel aan gelegen te markeren dat Nederland – ondanks zijn reserves – niet op één lijn zat met landen als Frankrijk en Duitsland, die het Amerikaans-Britse avontuur in Irak veroordeelden. En toen de oorlog in Irak eenmaal gewonnen leek, en Saddam ten val was gebracht, was Nederland snel bereid om een bijdrage te leveren aan de bezettingsmacht.

`Schoothondjesgedrag' noemt oppositiepartij PvdA de taktiek van het kabinet nu, bijna een jaar later: de gedachte dat een klein Europees land door de Amerikanen terwille te zijn invloed in Washington kan verwerven. `Bruggenbouwen', noemt het kabinet dat liever: bijdragen aan het dichten van de diepe kloven die vorig jaar tussen Europa en de VS naar aanleiding van de Irak-oorlog zijn ontstaan.

Dit streven is geen Nederlandse Alleingang: ook in Duitsland en Frankrijk leeft de gedachte dat het beter is om de Amerikanen met het Iraakse probleem niet helemaal alleen te laten, en dat het in ieders belang is om de Amerikaanse regering weer enigszins te bewegen in samenwerking met de Westerse bondgenoten op te treden.

Een andere constante in de Nederlandse buitenlandse politiek is de versterking van de rol van de Verenigde Naties (VN). Die versterking kan een belangrijk argument zijn om de Nederlandse troepen langer te laten blijven dan het jaar dat regering en parlement zich aanvankelijk hadden voorgenomen – daarover heerst in Den Haag vrijwel consensus.

Alleen: de VN staan vooralsnog niet te trappelen om het bestuur in Irak over te nemen. En die bereidheid zal niet toenemen nu het land zich dreigt te ontwikkelen tot een militair-politiek moeras – door verschillende critici al vergeleken met het Amerikaanse Vietnam-drama. De vraag doemt op wat er terecht kan komen van het Europese streven naar betrokkenheid bij de democratische ontwikkeling in Irak als dit land zou wegzinken in een guerrilla-oorlog tegen de bezettingstroepen, en onderlinge strijd van bevolkingsgroepen en bewegingen.

In het licht van al deze onzekerheden staat de Haagse consensus zwaar onder de druk. De PvdA had vorige maand al laten weten dat het misschien wel mooi geweest is met de Nederlandse militaire betrokkkenheid, als de centrale rol van de VN er niet komt. Ook binnen de regeringscoalitie twijfelen de partijen langzaam uit elkaar: de VVD (in het voetspoor van VVD-minister van Defensie Kamp) in de richting van pal staan in tijden van tegenspoed, en dus blijven; D66 in de richting van de plaat poetsen omdat het op deze manier niets wordt met Irak, en de risico's voor de militairen wel erg groot worden. Ook het CDA, dat zich tot nu toe op de vlakte hield, lijkt nu te twijfelen: Kamerlid Eurlings zei vanochtend dat de Nederlandse inzet in Irak ,,wel verantwoord moet blijven. Je ziet nu een verslechtering en een toegenomen veiligheidsrisico. Het loopt uit de hand.''

Naar goed Haags recept wordt de beslissing zolang mogelijk uitgesteld: uiterlijk medio juni zou een nieuw Nederlands contingent moeten vertrekken, om te acclimatiseren in Irak en half juli in Al Muthannah de fakkel over te nemen. Wanneer CDA en VVD de steun van D66 kwijtraken, staan in de Tweede Kamer wellicht de LPF en klein-christelijk klaar om de verlenging aan een kleine meerderheid te helpen. Gezien de ernst van de situatie en de grote risico's lijkt dat echter voor het kabinet een weinig aantrekkelijke, en politiek riskante mogelijkheid.