Een Nederlandse dode

De Nederlandse onderofficier die gisteravond bij een aanslag in As Samawah met handgranaten is gedood kwam naar Irak om zijn werk te doen: een bijdrage leveren aan de stabiliteit en veiligheid in het land; helpen bij de wederopbouw na een lange periode van dictatuur en oorlog. De gesneuvelde sergeant was op vredesmissie, evenals het andere slachtoffer van de granaataanslag, een jonge soldaat van de Luchtmobiele Brigade die ernstig gewond raakte. Zij zijn de eerste Nederlandse (militaire) geweldsslachtoffers in Irak. De aanslag op de Nederlandse militairen tekent de situatie in het land. Die is op dit moment allesbehalve veilig en stabiel. Reden tot zorg over het lot van de 1.260 man die namens Nederland deelnemen aan de stabilisatiemacht in Irak is er zeker. Maar al te vergaande conclusies kunnen uit de treurige gebeurtenis van gisteravond niet worden getrokken. Van meet af aan was duidelijk dat het om een riskante missie gaat. Nederlandse slachtoffers waren en zijn niet uit te sluiten. Dat maakt het nieuws over de dood van de sergeant niet minder dramatisch. Ook verzacht het de pijn bij de nabestaanden niet.

Het feit dat in Irak nu ook Nederlandse slachtoffers zijn te betreuren, zet het politieke debat over verlenging van onze militaire presentie na 30 juni op scherp, de dag van de soevereiniteitsoverdracht aan de Irakezen. Het ministerie van Defensie zal de omstandigheden van dag tot dag moeten bekijken. Het kabinet doet er verstandig aan zich niet te snel te binden aan nieuwe termijnen. Zolang Nederland zijn werk in de zuidelijke provincie Al-Muthanna kan doen, en niet als bezettingsmacht maar als stabilisatiemacht wordt gezien, zolang moeten we onze tijd uitzitten – als het kan tot eind juni. Wat daarna moet gebeuren hangt af van een groot aantal nu nog onzekere factoren, maar vooral van de veiligheidssituatie en de vraag of de Amerikanen bereid zijn om de Verenigde Naties de hoofdrol te geven bij de wederopbouw. Dat laatste zal het leven in Irak niet meteen veiliger maken. Maar het verschaft wel veel meer legitimiteit aan het politieke proces en aan de aanwezigheid van een internationale troepenmacht.

Ook voor Nederland geldt dat áls offers moeten worden gebracht, het duidelijk dient te zijn waarvoor dit gebeurt. De afgelopen weken zijn wat dat betreft rampzalig geweest. De Verenigde Staten hebben door de publikaties van martelfoto's uit de Abu Ghraib-gevangenis een morele nederlaag geleden. De natie die de Irakezen van dictator Saddam Hussein kwam bevrijden maakte zich schuldig aan wandaden in de folterkamer van het oude bewind. Het politieke management van deze crisis in Washington is medebepalend voor de vraag of de coalitiepartners bereid zijn hun troepen in Irak te handhaven. De morele kant van de missie heeft ernstige averij opgelopen. Voor Nederland als trouwe bondgenoot van Amerika is dat net zo veelbetekenend als voor de VS zelf.

Van oorlogen wordt wel gezegd dat ze altijd erger zijn en langer duren dan aanvankelijk werd gedacht. Escalerende rampspoed valt in Irak niet uit te sluiten. Dat maakt voor Nederland de kwestie `gaan of blijven na 30 juni' alleen maar lastiger en zwaarwegender. Een paar weken geleden zag het er nog naar uit dat verlenging welhaast een uitgemaakte zaak was. Dat is niet langer het geval. De dood schept zijn eigen feiten. Missers in de Amerikaanse aanpak in Irak en de op korte termijn gerichte opstelling van de regering-Bush in dit verkiezingsjaar dragen bij aan een steeds negatiever beeld. Dit alles noopt tot grotere reserve met verlenging van de Nederlandse militaire missie.