Sceptische commissaris

Het besluit van Frits Bolkestein om geen tweede periode als eurocommissaris aan te gaan valt alleszins te billijken. Bolkestein heeft vijf Brusselse jaren achter de rug, een voortzetting is geen plicht en het komt hem toe tijd vrij te maken voor andere bezigheden die hem interesseren. Toen Bolkestein vijf jaar geleden werd benoemd, nadat bij de formatie van het tweede paarse kabinet hierover een informele afspraak was gemaakt tussen de toenmalige VVD-leider en formateur Kok, werd er – ook op deze plaats – met terughoudendheid gereageerd. Wat moest een euroscepticus en een politieke generalist in de Europese bureaucratie van Brussel?

Op twee manieren heeft het anders uitgepakt. Ten eerste heeft Bolkestein zich ingezet voor de Europese zaak zonder zijn sceptische oordeel te verliezen. Ten tweede heeft hij met zijn portefeuille, de interne markt, een aantal lastige onderwerpen tot een goed einde gebracht. De harmonisatie van belasting op spaartegoeden is op een haar na geregeld, op het gebied van ondernemingsbestuur heeft hij verregaande voorstellen gedaan en met de Verenigde Staten is hij tot een akkoord gekomen over wederzijdse erkenning van accountantscontrole. De liberalisering van de postmarkt en de afschaffing van pintarieven bij banken in euroland heeft hij eveneens bereikt. Hij heeft zich krachtig uitgesproken over de Nederlandse belangen bij de onderhandelingen over het ontwerp van de Europese grondwet. Weliswaar werd harmonisatie van de overnamerichtlijn onder druk van enkele grote landen sterk afgezwakt en schiet het niet op met het Europese octrooi omdat de lidstaten onwillig zijn, maar al met al kan Bolkestein terugkijken op een geslaagde Brusselse expeditie.

Het kabinet moet nu op zoek naar een nieuwe eurocommissaris. Wie dat moet worden is nog niet zo eenvoudig, want het is een prestigieuze baan die het nodige politieke gewicht heeft. Maar een eurocommissaris is geen politieke functie; hij of zij is zoals een Franse president ooit opmerkte fonctionnaire. De Europese raden van ministers zijn politiek gesproken de baas. Het voorstel van PvdA-leider Bos om de Tweede Kamer over de voordracht te laten debatteren, is goedbedoeld, maar miskent dat voor een eurocommissaris geen verkiezing wordt gehouden. Intussen circuleert een aantal namen. De VVD claimt opnieuw een liberale eurocommissaris en is met oud-minister Kroes gekomen, namens het CDA zou onder anderen oud-minister Ruding gegadigde zijn en in Den Haag is bekend dat minister Brinkhorst (D66) dolgraag zijn werkzame carrière in Brussel zou afronden. Deze drie hebben met elkaar gemeen dat ze tot de oudere generatie (ex-)politici behoren. Daar hoeft, zie Bolkestein, niets mee mis te zijn, maar het zou onbevredigend zijn als er geen nieuwe gezichten naar voren worden geschoven. Voormalig PvdA-politicus Van der Ploeg vormt met zijn zelfverklaarde kandidatuur hierop een uitzondering. Hij heeft de capaciteiten, maar is kennelijk voor het kabinet geen serieuze optie omdat hij niet tot een partij van de regeringscoalitie behoort en geen minister is geweest.

Door de uitbreiding van de Unie is de benoeming van de leden van de Europese Commissie meer dan in het verleden een Brusselse aangelegenheid geworden, waarin de beoogde voorzitter van de Commissie een grotere stem krijgt. Dit verplicht de lidstaten, dus ook Nederland, grondig na te denken over kandidaten met een gekwalificeerde cv. Gedegen inhoudelijke kennis van zaken en bestuurlijke ervaring zijn belangrijker dan de politieke kleur.