Onderwijsvrijheid moet voor iedereen gelden

Het kabinet stelt extra voorwaarden aan de stichting van scholen om achterstand te voorkomen en integratie te bevorderen. Die redenering klopt niet, meent J.A. van Kemenade.

Iedere gezagsdrager in het openbaar bestuur zweert of belooft bij zijn of haar aantreden in een openbaar ambt trouw aan de grondwet. Leden van het kabinet en van het parlement hebben ten aanzien daarvan zelfs een bijzondere verantwoordelijkheid. Niet alleen omdat zij de grondwet of grondwetswijzigingen in twee instanties en ten slotte met een tweederde meerderheid zelf vaststellen, maar ook omdat we in ons land geen constitutioneel hof kennen dat wetten aan de grondwet toetst en het dus aan de wetgever zelf is om de grondwettigheid van de wetten te beoordelen en te bewaken, mede rekening houdend met de adviezen van de Raad van State terzake.

Wij hechten, terecht, zozeer aan onze grondwet dat er brede consensus bestaat over het feit dat het voor de inburgering van nieuwkomers in ons land ten minste noodzakelijk is vertrouwd te zijn met de waarden en normen die in onze grondwet zijn vastgelegd.

Het is dan ook staatsrechtelijk dubieus en maatschappelijk ongeloofwaardig als we zelf met die grondwettelijke waarden naar believen een loopje nemen en dat is recent weer het geval.

Het kabinet heeft namelijk onlangs besloten de stichtings- en bekostigingsvoorwaarden voor scholen te veranderen.

Niet meer alleen de wettelijk vastgelegde normen met betrekking tot het aantal leerlingen dat een nieuw op te richten school zal bezoeken is voortaan bepalend voor de mogelijkheid om een school te stichten en voor bekostiging door de overheid in aanmerking te komen.

Daar wordt nu de eis aan toegevoegd dat die school voor ten minste 20 procent zal worden bezocht door leerlingen die niet een onderwijsachterstand hebben.

Dat is een wezenlijke verandering van de onderwijsvrijheid zoals die sinds 1917 destijds in artikel 208, nu artikel 23, Grondwet is vastgelegd en waarvan de uitwerking sindsdien in onderwijswetten is geregeld.

Sinds nu bijna negentig jaar zijn dergelijke extra bekostigingsvoorwaarden nooit aan protestants-christelijke of katholieke, dan wel andere, bijzondere scholen gesteld, hoewel gedurende al die jaren ook veel bijzondere scholen zijn gesticht die overwegend leerlingen in achterstandsituaties telden, zowel in de steden als op het platteland.

Nu verreweg de meeste confessionele scholen van die extra voorwaarde geen last meer zullen hebben, want er zullen immers niet veel christelijk-confessionele scholen meer worden gesticht behalve in nieuwe wijken waar van achterstandsituaties slechts sporadisch sprake zal zijn, mag de onderwijsvrijheid blijkbaar worden ingeperkt, met als argument dat achterstand moet worden voorkomen en integratie in de Nederlandse samenleving moet worden bevorderd.

Maar die argumenten hebben nooit gegolden voor de stichting van confessionele scholen en werden van confessionele zijde zelfs fel bestreden toen ze aanvankelijk door sommigen wél werden geopperd. Bovendien is het zeer de vraag of ze wel gelden voor de huidige nieuwe confessionele scholen, waarvan de onderwijsresultaten vaak heel behoorlijk zijn zoals uit onderzoek is gebleken.

Het gaat hier dan ook niet om de bestrijding van achterstand en de bevordering van integratie. Die, overigens terechte, doelstellingen moeten worden nagestreefd door gericht en geïntensiveerd onderwijsstimulerings- en integratiebeleid, en zéker niet door daar 100 miljoen euro op te bezuinigen zoals het kabinet eveneens voornemens is.

Het gaat er hier kennelijk om te voorkomen dat er nieuwe islamitische scholen worden gesticht en dús om een beperking van de onderwijsvrijheid zelf.

Het is voor veel van die scholen, die zich veelal in achterstandswijken bevinden, immers onmogelijk om aan die extra voorwaarde te voldoen, tenzij het kabinet van plan is om andere ouders te dwingen hun kinderen naar die scholen te sturen maar dat is uiteraard niet het geval.

Deze aantasting van de onderwijsvrijheid doet dan ook onmiskenbaar afbreuk aan een democratische verworvenheid in ons land, namelijk het recht van ouders om scholen te stichten die, binnen grenzen van te stellen deugdelijkheidseisen, door de overheid worden bekostigd, en waarin hun kinderen naar hun eigen geloofs- of levensovertuiging kunnen opgroeien.

Volgens sommigen is die grondwettelijke vrijheid van onderwijs echter een verouderd meubelstuk dat niet meer past in het nieuwe huis van de geïndividualiseerde en ontzuilde samenleving. Ik deel die mening niet. Maar als men dat vindt, dan moet men consequent zijn en die vrijheid niet alleen voor sommigen beperken. Dan moet men de grondwet wijzigen en bepalen dat voortaan alleen nog openbare scholen, waarin alle leerlingen ongeacht herkomst en geloof gezamenlijk opgroeien, kunnen worden gesticht en bekostigd.

Ik ga ervan uit dat de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer zich zal verzetten tegen deze discriminerende aantasting van de onderwijsvrijheid, waartoe haar voorganger, de SDAP, in de zogeheten pacificatiecommissie van 1917 mede heeft besloten, en het kabinet er op zal wijzen dat deze maatregel niet alleen in strijd is met artikel 23 van de grondwet, maar ook met artikel 1 daarvan dat immers bepaalt dat allen in dit land voor de wet gelijk behandeld zullen worden.

Al was het maar om geloofwaardig te blijven ten opzichte van de nieuwkomers in ons land van wie wij terecht eisen dat zij zich inburgeren en zich de fundamentele waarden van onze samenleving eigen zullen maken.

J.A. van Kemenade is oud-minister van Onderwijs (PvdA) en thans Minister van Staat.