Hoeders der kunsten zijn in crisis

Het Amsterdamse kunstadvies laat zien hoe zeer de positie van de adviesraden voor cultuur wordt uitgehold door de politieke bestuurders.

Twee kunstraden komen vlak achter elkaar met een omstreden en verstrekkend advies. De raad voor Cultuur, die het rijk adviseert, heeft dit twee weken geleden gedaan. De Amsterdamse Kunstraad heeft vandaag zijn advies voor het gemeentelijke kunstenplan uitgebracht. Dat laatste heeft ook landelijke betekenis, doordat het leeuwendeel van de gesubsidieerde kunstenaars in Amsterdam werkt.

De belangrijkste overeenkomst: beide adviezen tonen aan dat de adviesorganen in een crisis zitten.

In Nederland staan tussen kunst en politiek de kunstraden. Zij adviseren de bewindslieden, die de adviezen doorgaans netjes opvolgen. Maar wat gebeurt er als de politicus vooraf laat weten iets te willen wat de raden totaal niet bevalt? Moeten zij zich als een `burgemeester in bezettingstijd' schikken om erger te voorkomen? Of moeten de raden fel hun positie en die van de kunst verdedigen, met als gevaar dat wethouders en staatssecretarissen de raden links laten liggen waardoor deze overbodig dreigen te worden?

Dat is wat momenteel aan de hand is. Staatssecretaris Medy van der Laan (D66, Cultuur) en de Amsterdamse wethouder Hannah Belliot (PvdA, Cultuur) hebben aangekondigd flink te bezuinigen op kunst. De raden zijn hierbij als beulsknechten ingeschakeld. De Raad voor Cultuur schikt zich in de bezuinigingen, maar ligt dwars door de `kaasschaaf' te hanteren – iedereen een beetje minder. Dat is tegen het nadrukkelijke verzoek van Van der Laan om duidelijke keuzes. Van der Laan kan haar gezag alleen redden door het advies grotendeels te negeren.

De Amsterdamse Kunstraad hanteert liever de botte bijl en adviseert om maar liefs drieëntwintig instellingen te sluiten. Daarin is de raad weer zó rigoureus dat Belliot om totale afbraak te voorkomen óók niet anders kan dan dit advies deels te negeren. Zo doen de raden een beetje dwars en een beetje braaf tegelijk.

Om binnen de gekorte budgetten te kunnen blijven, hebben beide raden onafhankelijk van elkaar een monstrum ingevoerd: voor verschillende instellingen geven ze een positief kwaliteitsoordeel, gekoppeld aan een negatief subsidie-advies. Over het Concertgebouworkest schrijft de Amsterdamse Kunstraad bijvoorbeeld: ,,Er is geen enkele inhoudelijke aanleiding voor een korting.'' Om vervolgens voor te stellen het orkest met 1,8 ton te korten.

Deze methode bedoelen de raden waarschijnlijk als een vorm van verzet, maar het werkt averechts; de raad zit er juist om subsidieverdeling en kwaliteitsoordeel met elkaar te verbinden. Als de raden deze twee zaken loskoppelen, maken zij zichzelf overbodig.

Wat één onderwerp betreft blijft de Amsterdamse kunstraad dapper `neen!' zeggen tegen de bezuinigen. In een ongekend felle uithaal hekelt de raad de extra korting van vier miljoen euro die Belliot doorvoert, om geld vrij te maken voor haar eigen potjes, zoals de stelpost `diversiteit meer tonen' en het op te richten Investeringsfonds. Volgens de raad heeft de wethouder deze daad met ,,woordkunst en cijferkunst'' lange tijd weten te verdoezelen. Ongetwijfeld zal de raad zich hierdoor slinks gepasseerd voelen. Maar de klacht tegen Belliot gaat verder: de raad verzet zich tegen de neiging van politici om buiten de raden om een `derde subsidestroom'te onderhouden, via allerlei moeilijk te controleren, modieuze hobby-potjes, waarmee de politiek te dicht bij de kunst komt en de functie van de raad als hoeder van de kunst wordt uitgehold.