Bom in Grozny treft Poetin

De moord op de Tsjetsjeense president Achmad Kadyrov is het een zware, zo niet fatale klap voor Ruslands Tsjetsjenië-beleid: hij was de enige die dat beleid een minimum aan legitimiteit kon geven.

Achmad Kadyrov, de gisteren vermoorde president van Tsjetsjenië, was de man van Moskou in de opstandige deelrepubliek. Zijn liquidatie door de rebellen schept een vacuüm dat door president Poetin niet kan worden opgevuld, en in die zin brengt de moord van gisteren de Russische president terug bij af: de aanslag heeft niet zomaar een president het leven gekost, hij heeft Poetins Tsjetsjenië-beleid een zeer zware, zo niet noodlottige klap toegebracht.

Kadyrov (52) was Poetins oplossing voor het slepende probleem-Tsjetsjenië. De vroegere moefti van de deelrepubliek werd door Moskou gekoesterd als de man die de Russen in staat moest stellen zich geleidelijk uit het moeras terug te trekken en de verantwoordelijkheid voor de oorlog tegen de separatisten over te laten aan de Tsjetsjenen zelf.

Kadyrov is door zijn tegenstanders afgeschilderd als ambitieus, autoritair, compromisloos en hardhandig, een verrader, een corrupte dief, een marionet van Moskou, een man die zijn zoom Ramzan had benoemd tot chef van een privémilitie die ongestraft afperst, moordt, ontvoert, plundert, een man ook die alleen pro forma bij Moskou protesteerde tegen wangedrag van Russische militairen en corruptie van Russische bestuurders.

Maar aan de andere kant had Kadyrov een zeker prestige, als voormalig moefti, als oprichter (in 1989) en voormalig rector van het Islamitisch Instituut (het eerste in de Noordelijke Kaukasus), als fervent tegenstander van het islamitisch fundamentalisme, als leider van een niet onaanzienlijke clan (die van Tsentoroj in het zuidoosten) en vooral: als ex-rebel. Hij werd geboren in Kazachstan – waar Stalin de Tsjetsjenen heen had verbannen – en opgeleid in Jordanië en Oman. Tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog, van 1994 tot 1996, vocht deze islamitische geestelijke mee tegen de Russen, aan de kant van de Tsjetsjeense leider Dzjochar Doedajev, en, na diens dood, aan die van zijn opvolger Aslan Maschadov. Hij riep zelfs op tot een jihad (heilige oorlog) tegen de Russen.

Maar na die oorlog keerde hij zich tegen Maschadov: hij kreeg ruzie met de fundamentalisten die de republiek – de facto onafhankelijk – steeds meer in hun greep kregen, de shari'a afkondigden, van Tsjetsjenië en buurrepubliek Dagestan islamitische republieken wilden maken en Maschadov domineerden. Maschadov stuurde hem de laan uit nadat hij zonder toestemming de toenmalige premier Poetin had ontmoet. Luttele maanden later, in september en oktober 1999, toen Poetin de tweede Tsjetsjeense oorlog ontketende, schaarde Kadyrov zich aan de kant van de Russen. Hij gaf de stad Goedermes, die hij toe beheerste, zonder strijd over.

Voor Poetin was om al die redenen Kadyrov de vlaggendrager van de poging, de oorlog geleidelijk te `tsjetsjeniseren': als deze man – nationalist, ex-rebel, clanleider en ex-moefti, de enige pro-Russische Tsjetsjeen die kon onderhandelen met de clanleiders – met althans een schijn van legitimiteit de republiek in zijn greep kon krijgen en de steun van het volk kon verwerven, kon Rusland zich geleidelijk uit het moeras terugtrekken. Kadyrov werd dus vier jaar geleden tot interim-president benoemd en vorig jaar herfst tot president `gekozen'. Die verkiezingen werden duidelijk gemanipuleerd: twee rivalen verdwenen van de kandidatenlijst, waardoor Kadyrov als enige overbleef, en de officiële opkomst was veel groter dan de werkelijke. Niettemin heette het dat Kadyrov ruim tachtig procent van de stemmen had gekregen. Dankzij hem kon Poetin het probleem nu, duidelijker dan eerder, gaan presenteren als een intern conflict waarmee het buitenland zich niet diende te bemoeien, hij kon ook melding maken van een `stabilisering' van de situatie: Tsjetsjenië was geen oorlog meer tussen Russen en Tsjetsjenen, maar een conflict tussen Tsjetsjenen onderling – en dan ook nog een conflict dat afliep, omdat `de bandieten' geen vuist meer konden maken.

Die vuist maakten ze gisteren, toen ze met Kadyrov het hart van het pro-Russische gezag èn het hart van het Russische beleid opbliezen. Het was al tenminste de zevende aanslag op zijn leven sinds 2000 – gisteren precies een jaar geleden werd er nog een aanslag op hem gepleegd, bij dezelfde gelegenheid, de herdenking van de zege van 1945, en op dezelfde plaats. Voor de separatisten die blijven vechten vanuit de bergen was Kadyrov sinds 1999 volksvijand nummer één, een overloper, een verrader, Poetins alibi.

Achmad Kadyrov was de personificatie van de grootste Russische fout, hun weigering te onderhandelen met de opstandelingen. Zonder die onderhandelingen duurt de strijd voor: twee Tsjetsjeense oorlogen tonen aan dat er geen politioneel en militair antwoord is op de guerrilla van de separatisten, met hun hit-and-run aanvallen van afzonderlijke groepen en legertjes. Het wegvallen van Kadyrov zadelt president Poetin op met het cruciale probleem, een vervanger te vinden die, óók met een zekere legitimiteit, het beleid van de `tsjetsjenisering' van de oorlog kan voortzetten. Maar zo'n man is er niet. Poetin is terug bij af.

    • Peter Michielsen