`Vroeger trokken kinderen nog belletje'

Steven van Eijck moet de bureaucratie in de jeugdzorg verminderen. Maar hij wil meer. ,,Als ouders hun verantwoordelijkheid niet nemen, zijn hun rechten eindig.''

Stropdas met Windsorknoop, lichtroze overhemd, gebruind gezicht. Steven van Eijck, oud-staatssecretaris van Financiën tijdens Balkenende I, is commissaris jeugd- en jongerenbeleid. Hij moet de samenwerking in het versnipperde jeugdbeleid verbeteren en de tijdvretende bureaucratie terugdringen. Deze taak heeft een mooie naam: `Operatie Jong'. Eind deze maand wordt zijn `visie' - een stuk waarin staat hoe het beter kan - in het kabinet besproken.

Hij staat te popelen. Want het moet veel beter, zegt hij. Hij is zich ,,rot geschrokken'' toen hij de cijfers die verschillende instanties over de jeugdcriminaliteit verzamelen, over elkaar heenlegde: één op de tien jongeren gaat de fout in, zo blijkt. In 2002 hoorde de politie 55.000 minderjarige verdachten. Het ging 12.000 keer om geweldsdelicten en meer dan 15.000 keer om vernielingen. Twintig procent van de verdachten waren meisjes. Van Eijck: ,,De criminaliteit wordt steeds zwaarder. Vroeger trok je belletje, nu gaat er een stoeptegel door de ruit. Het lijkt wel of kinderen hun normbesef kwijt zijn.''

Voor dat normbesef zijn in de eerste plaats de ouders verantwoordelijk, zegt Van Eijck. Daarover geen misverstand. Maar het is een feit dat niet alle ouders die verantwoordelijkheid (kunnen) nemen. Dan zijn hun rechten eindig. De Surinaamse dame, die hij ontmoette, met twee kinderen van vier en zes jaar, was uit de ouderlijke macht ontzet. ,,En dat was terecht'', zegt Van Eijck, ,,ze had zo ongeveer alles gedaan wat God verboden heeft.'' Ze raakt opnieuw zwanger. En ze mag het opnieuw proberen. ,,Dat snap ik niet'', zegt Van Eijck. Dan moet de overheid ingrijpen. Liefst zo vroeg mogelijk.''

Het lastige is, zegt van Eijck, dat er vijf verschillende ministeries betrokken zijn bij het jongerenbeleid. ,,Neem een zeventienjarige jongen die in de problemen zit. Hij heeft zijn school niet afgemaakt. Daarover gaat Van der Hoeven van Onderwijs. Hij kan wel wat hulp gebruiken. Dat hoort weer bij Ross van Welzijn. En hij moet aan het werk worden geholpen. Dat is de afdeling van De Geus van Werkgelegenheid. En als hij een inbraak pleegt, komt Donner van Justitie om de hoek kijken. Dat werkt natuurlijk niet.''

Volgens van Eijck moeten we toe naar een ,,integraal jeugdbeleid''. Hij bedoelt: iedereen moet samenwerken. De verantwoordelijke ministers zien dat in, zegt hij. Daarom hebben ze hem aangesteld. ,,Maar het moet ook dieper doordringen in de organisatie. Want daar zitten nog te veel ambtenaren die niet weten dat hun collega's op een ander ministerie met hetzelfde bezig zijn. Alleen vanuit een andere invalshoek.''

Hij wil het verkokerde denken doorbreken. ,,Er moet niet vanuit een ministerie maar vanuit een kind wordt gedacht. Je bekijkt de levensloop van elk kind van 0 tot 23 jaar en vraagt je af: wáár kan het misgaan? Dáár moet je op inspringen.'' Hij noemt als voorbeeld het recente wetenschappelijk onderzoek waarin ,,bikkelhard'' is aangetoond dat de daders van zedendelicten vroeger vaak ernstig werden gepest. ,,Daar is winst te halen.''

Maar al veel eerder wil Van Eijck mogelijke probleemgevallen opsporen. In Zeeland wordt nu geëxperimenteerd met een huisbezoek vanuit het consultatiebureau. ,,Prachtig. Bijna alle kinderen komen vanaf een paar weken op het consultatiebureau. Mét een ouder. Dan moet je niet alleen wegen en meten, dan moet je breed screenen. Op zo'n moment, kun je al inschatten of het wel of niet goed zal gaan.''

Nog een voorbeeld. ,,Elke leraar van groep acht trekt een jaar met zijn klas op. Hij weet dat Machteld thuis in elkaar wordt geslagen en dat Rachid ADHD heeft. Willemijn heeft overbezorgde ouders. Fatima leert erg snel. Dan gaan ze naar de middelbare school en wat sturen we mee? De cito-toetsresultaten. Dan laat je goud liggen aan informatie. En dan staan ze gek te kijken als die kinderen in de brugklas stuklopen.''

Áls een kind dan hulp nodig heeft, rijst het volgende probleem. Want vinden ze hun weg in het woud van zorgstelsels voor de jeugd zoals de jeugdbescherming, de jeugdgezondheidszorg, het speciaal onderwijs, het schoolmaatschappelijk werk, de jeugdhulpverlening (streetcornerwork, JAC), de zorg voor de licht verstandelijk gehandicapte jeugd en de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen? ,,Je schrikt je dood als je de blinde vlekken ziet'', zegt Van Eijck. ,,Soms zijn twintig instanties bezig zijn met een probleemgezin en weten ze dat niet van elkaar.''

De nieuwe wet op de jeugdzorg, die in 2005 in werking treedt, is onder meer bedoeld om dat probleem aan te pakken. Die wet voorziet in één loket (bureau Jeugdzorg) waardoor kinderen en jongeren sneller op de juiste plek terechtkomen. Critici zeggen dat het slechts een extra loket betreft. Bovendien hebben verschillende hulpverlenersinstanties zich buiten bureau Jeugdzorg weten manouvreren. Maar Van Eijck vindt dat te somber. ,,Dat ene loket is winst.''

Jeugdhulpverleners klagen steeds vaker over de enorme bureaucratie in hun sector. Protocollen en regels zijn belangrijker geworden dan de kinderen, zeggen ze. Van Eijck kent het probleem. ,,Een directeur van een bureau Jeugdzorg zei tegen mij: `Mijn mensen besteden 17 procent van hun tijd aan gesprekken met de cliënten. De rest van hun tijd vullen ze formulieren in of vergaderen ze. Dat is enorm frustrerend voor de hulpverleners die juist dit werk zijn gaan doen om dat ze het contact met de jongeren en de gezinnen leuk vinden.''

Van Eijck wil de overtollige bureaucratie aanpakken. ,,Natuurlijk moeten hulpverleners zich verantwoorden, maar veel regels zijn gewoon ingesleten. De functie is onduidelijk. Voor mij als buitenstaander is dat makkelijker te zien. Daar valt een enorme efficiencyslag te maken. Als managers niet in vijf minuten duidelijk kunnen maken welk doel een regel heeft, hup weg ermee. Ik geef een voorbeeld. Om voor een plaats op een school voor zeer moeilijk lerende kinderen in aanmerking te komen, moeten de ouders een verklaring ondertekenen dat ze akkoord gaan. Veel allochtone ouders hebben daar moeite mee. Ze hebben het gevoel te verklaren dat hun kind niet deugt. Het kind kan dan niet worden toegelaten met alle ellende van dien. Dan moeten daar een andere oplossing voor worden gezocht.''

Ook de ,,projectencarrousel'' wil Van Eijck scherp bekijken. ,,Dat is een erfenis uit de jaren zeventig. Als je een plan hebt, krijg je geld. Maar een grondige evaluatie ontbreekt. Je moet een doel stellen, een nulmeting maken en kijken of het werkt. Zo niet, weg ermee. We hebben de wind mee: iedereen wil nu afrekenen op prestaties. Dat wil ik ook.''

Zo hou je, ondanks de bezuinigingen, geld over voor projecten die werken, zegt Van Eijck. Hij noemt de Herstelling in Noord-Holland waar werkloze, moeilijk bemiddelbare jongeren de verdedigingswerken van rond de eeuwwisseling opknappen. Ze leren werken (op tijd komen, samenwerken) en ze leren een vak (schilder, timmerman, metselaar).

,,Het is eigenlijk jammer', zegt Van Eijck, ,,dat we de dienstplicht hebben afgeschaft. Daar leerden jongeren dat er regels zijn waar je je aan moet houden. Ongeacht ras of kleur. Jongeren hebben daar zo'n behoefte aan.''