Vrijmarkt

Op de stoep links en rechts van mij staan oranje strepen, twee meter uiteen. Net genoeg voor de lap waarop ik mijn waren heb uitgestald tussen die van de andere kinderen. Ook ik doe het speelgoed van de hand waarmee ik vertrouwd en opgegroeid ben. Maar in tegenstelling tot hen hoef ik er geen cent voor, en heb ik er geen genoeg van: wetenschap verveelt nooit, en je kunt er zoveel van weggeven als je wilt zonder dat de koek ooit opraakt.

Voor me ligt een uitgelezen verzameling verhalen over kristalgroei, planeten, sterren en zwarte gaten. Over oceanen en genetica, water- en DNA-moleculen. Klassieke en quantummechanica, speciale en algemene relativiteitstheorie, elektriciteit en magnetisme, bosonen en quarks, vuurwerk en oerknal. Elk verhaal is verpakt in een kleurige omslag, waarop staat wat het met je dagelijks leven te maken heeft, en welk apparaat werkt dankzij de natuurkunde die in het ingepakte verhaal staat beschreven.

Langs mij schuifelen de feestgangers. Aan de misprijzend neergetrokken mondhoeken van de volwassenen ben ik snel gewend, en bovendien kijken zij bij de meeste andere stalletjes niet veel blijer. Echt Hollands publiek: `Motjedaarnouneurofoorfrage?' Er staan geen prijskaartjes bij mijn pakjes, ten eerste omdat ze onbetaalbaar zijn, en ten tweede omdat ik er zelf ook niet voor betaald heb, maar dat verbetert de stemming van de kijkers niet. `Waastatnougoedfoor?' is nog de vriendelijkste reactie, maar als ik wijs op de verklarende tekst op elke omslag, lopen de meesten schokschouderend door. Ik neem een voorbeeld aan de dapperheid van mijn lotgenoten: het ventje dat twee stalletjes verderop viool staat te spelen, krijgt er soms erger van langs, maar geeft geen krimp. En terwijl hij zich blij door Valerius fiedelt, laat ik af en toe wat zien van mijn kunstjes met een stereobril, of met zeepbellen.

Langswandelende kinderen vinden het vaak prachtig. Ik heb werkende voorbeelden van mijn verhalen bij me: een gyroscoop, klikballetjes en een blijde voor de mechanica; een stuk glas, een spiegeltje, en een polaroidbril voor de quantummechanica; een stuk houtskool, een brandglas en een brok ijzererts voor de kernenergie in de Zon; een roodwit geblokt afzetlint voor de speciale-, een knikker en een bam voor de algemene relativiteitstheorie.

Met een blad papier en een saté-prikker laat ik zien hoe vliegers en vliegtuigen in de lucht blijven. Mijn klantjes klitten samen om met z'n allen tegen het papieren vleugelprofiel te kunnen blazen. Voor deze keer vind ik het niet erg dat Leiden in de bulderbaan van Schiphol ligt: we schatten de hoogte en de snelheid van de overrazende jumbo's, blazen weer tegen bolgebogen papiertjes, vouwen molentjes, en proberen na te gaan wat er verandert wanneer de vleugels in een pijlvorm staan.

Een groepje belegen burgers kuiert voorbij. Zij kijken niet op of om; ik hoor hen mopperen dat de jeugd geen belangstelling heeft voor wetenschap. Intussen heb ik grote moeite twee jongetjes uit elkaar te houden die vechten om het gebruik van de waterraket. Ik geef ze elk een taak: de een vult een stevige plastic fles met een paar kopjes water, de ander steekt een fietsventiel door een rubber kurk. De kurk op de fles, en pompen totdat vrrrats! de kurk losschiet en de fles hoog de lucht in, de omstanders besproeiend. Hij klettert neer tussen de lege bierblikjes, en ik bespreek met de jongens hoeveel water er in de fles moet om de raket zo hoog mogelijk te krijgen. Na wat argumenten voor en tegen komen zij tot de conclusie dat het wat minder dan half vol zou moeten zijn. Ik stuur ze eropuit om de fles te vinden, en als ze terugkomen staan ze broederlijk naast elkaar om de proef te nemen. De woorden `actie' en `reactie' hoef ik niet te gebruiken: ze snappen het ook wel zonder potjeslatijn.

Af en toe doen ouders mee. Ik laat een meisje en haar vader van weerskanten door een stuk glas kijken, en vraag of het niet vreemd is dat zij niet alleen elkaar kunnen zien, maar ook hun eigen spiegelbeeld. Het licht gaat door het glas heen, maar kaatst ook terug. Hoe kan het dat dat tegelijk gebeurt, en niet het een of het ander? Zou glas niet ofwel spiegelend, of helemaal doorschijnend moeten zijn? Een muur laat immers een bal ook niet af en toe door. Een hek wel, maar een glazen fles lekt niet. Ze merken dat de Natuur gekker is dan je denkt: dezelfde oorzaken hebben niet altijd dezelfde gevolgen! Paps staat eerst wat hoofdschuddend naar mij te kijken: hoe kan zo'n snotaap hem voor de gek houden, net als die kinderen even verderop, met hun goocheltrucs? Hij moet tenslotte toegeven dat de proef laat zien dat licht echt doet alsof het de vrije keus heeft tussen doorgaan en weerkaatsen. Tegen de tijd dat zijn dochter de Schrödingervergelijking tegenkomt, heeft ze dit experiment alvast binnen.

Met een lens projecteer ik het oranjezonnetje op de witte muur achter me. Gelukkig zijn er een paar zonnevlekken te zien, en we doen een rondje vragen om voorstellen te krijgen wat dat voor dingen zijn. Binnen de minuut vliegt de hele wetenschapsgeschiedenis om mijn oren: eilanden op de Zon, bergen onverbrande steenkool, gaten in het oppervlak. Als een jongetje, die blijkbaar een abonnement op Natuurwetenschap & Techniek heeft, zegt ``Magnetische velden'', valt de hele groep lachend over hem heen, totdat een vriendelijke dame uit het publiek hem redt, en er een toepasselijk verhaal over het noorderlicht aan vastknoopt.

De dag vliegt voorbij; met een groepje aangeschoten studenten begin ik een discussie over de vraag of bier op Mars net zo zou schuimen als op Aarde. Mijn verhalen zijn bijna op; het vergrootglas, de bijbehorende zand- en zoutkorrels, en een stukje kristal zijn ook weg. Die heb ik wel verkocht, want toch een beetje bang voor de algemene reactie: als het gratis is, zal 't wel niks zijn. Maar mijn pronkstuk is nog over: de gyroscopische tol. Een zware schijf van messing op een stalen as, draaiend tussen twee taplagers in een ijzeren ring. Een touwtje om de as, een stevige ruk, en daar zoeft de tol rond. Het onderste lager heeft een schroefkop; als je de gleuf van de schroef op een gespannen touwtje zet, blijft de tol rechtopstaan zolang hij hard genoeg draait. Ik pak de koorddansende tol op en zet hem, met de as schuin, op de grond. Inplaats van om te vallen, begint hij langzaam te draaien, zodat de as een kegelvorm beschrijft.

Een meisje met lange gitzwarte pijpenkrullen, een tuniekje en sandalen aan, pakt de gyroscoop van mij over. Ze houdt de ring in de holte van haar hand, koestert de rondzoemende koperen schijf, voelt de malle wendingen die het ding maakt als je de as van richting verandert. Ze maakt haar gouden halsketting los, en hangt het puntje van de gyroscoop in het onderste schakeltje. Langzaam draait de tol rond, de as horizontaal. De zonnestralen flitsen in het goud, dat in een spiraal gedraaid wordt. ``Kijk,'' zegt ze, ``hij valt niet. Net of de zwaartekracht wordt tegengehouden. Mooi, hè?'' Dan kijkt ze mij recht aan met haar donkere ogen. Voordat mijn verlegenheid heeft kunnen toeslaan, vraag ik haar: ``Hoe heet je?'' Ze zet de gyroscoop op het spiegeltje voor mij, en kijkt even naar de statige zwaaiende kegelbeweging. ``Athina'', antwoordt ze, en loopt door. Terwijl mijn ogen de precessiebeweging van de gyroscoop volgen, schiet het door mij heen: als ik later groot ben, wil ik met jou trouwen.