Terug

Spunk-columnist Jan Hoek (20) is heel gelukkig op de plek waar hij vandaan komt.

Ik ben gelukkig. Alles is volledig op zijn plek. Ik drijf zachtjes rond in een onbekende vloeistof met precies de temperatuur die ik lekker vind. Zo schommel ik vredig heen en weer. Als een dolfijn in een koele deinzende zee zonder vissersboten. Helemaal veilig. Mijn oogjes houd ik nog lekker dicht, maar als ik ze soms even open doe zie ik enkel een warme roze gloed. Via mijn mond die op de een of andere manier in mijn buik zit, ontvang ik de heerlijkste delicatessen. Het smaakt naar melk door de goden gebrouwen.

Ik hoor langzame monotone housemuziek, als het kloppen van een hart. En stemmen. Rustige stemmen. ,,Jantje wij houden van je.'' ,,Jantje wij willen jou zien, laat ons je lieve gezichtje eens zien.'' En dan hoor ik een gebrul. ,,Aauauauau! Dit doet zo'n godvergeten pijn! Laat deze helse pijnen ophouden!'' Het water begint ook opeens heel hard heen en weer te klotsen. Ik word een beetje bang. Laat me toch gewoon gelukkig blijven. Het is zo fijn hier. ,,Kom eruit, Jan, kom er toch godverdomme uit. Je weet niet hoeveel pijn dit doet!'' En opeens hang ik ondersteboven in het water.

Hoe kan ik nu opeens ondersteboven in het water hangen. Ik snap er helemaal niks van. En het water golft inmiddels als een bezetene alle kanten op. Het lijkt wel te stormen. Ik voel ook druk. Iets probeert me mee te nemen. Alsof er opeens een raampje open staat in het vliegtuig. Zo'n raampje dat je naar buiten probeert te zuigen. Ik zie het raampje ook open staan. Ik probeer me vast te klemmen aan een streng die uit mijn buik komt, maar de streng lijkt te rollen. Ik wil niet weg, ik ben namelijk in de hemel. Ik probeer me vast te klemmen aan alles wat ik maar kan vinden, maar alles is zo zacht. En zo glibberig. Ik ben nu bijna bij het open raam.

Eenmaal bij het raam houd ik mij wanhopig vast aan het raamkozijn. Dat is ook al zacht. Er is niks meer aan te doen. Honderden onzichtbare handjes duwen mij het gat uit. Als eerste moet mijn hoofd er aan geloven. Het doet onwijze pijn. Het gat is veel te krap. Ik ben even bang dat mijn oren blijven haken en losscheuren. Ik hoor de stemmen nu keihard. Een stem zegt: ,,Aauauau, neeeeeee! Au!'' Heel vaak en hard. De stem klinkt hoog en hysterisch. Een andere stem zegt: ,,Hallo kereltje. Hallo''.

Een stuk van mijn hoofd zit al uit het raam. Het licht is ontzettend fel buiten. Het verblind mijn ogen zowat. Toch kan ik vaag twee figuren onderscheiden. Volgens mij zijn het reuzen. Een hele grote witte reus. En een hele grote dikke bruine reus met een witte jas aan. Het is levensgevaarlijk hier. Enkel mijn hoofd is nu buiten. Ik ben weerloos tegen de reuzen. Ook mijn armen komen nu eindelijk naar buiten. Ik zie dat er gras groeit rond het raam en probeer me daar aan vast te houden. Ik duw mijn benen zo wijd mogelijk uit elkaar om me klem te zetten. Ik wil niet naar buiten.

Het werkt allemaal niet. Na een tijdje flubber ik toch naar buiten. Ik beland in een plas plakkerig bloed met ondefineerbare gele brokstukken. Ik mis de vloeistof om me heen. De vloeistof die nog wel overal op mijn huid zit, maar nu vooral heel erg plakt en kleeft. Het is hier koud. Het geluid van de brandsirene stopt gelukkig. En ik ben bloot. Ik schaam me dood. De grote zwarte reus in de witte jas wijst naar mijn piemel en zegt: ,,Het is een jongetje. Je hebt een jongetje gekregen''. De grote blanke reus staat een beetje stom te lachen.

Ik vind het niet leuk buiten. Ik ben bang. Heel erg bang. En ook heel erg ongelukkig. Ik wil weer terug naar mijn grot. Naar de plek waar alles zo fijn was. Naar de plek die zo vertrouwd was. Ik wil weer terug.

Meer: www.spunk.nl