Sanering in Amsterdamse kunsten

Om acht miljoen euro te bezuinigen in het Kunstenplan 2005-2008 adviseert de Amsterdamse Kunstraad de gemeente om drieëntwintig instellingen geen subsidie meer te geven.

Dat blijkt uit de Adviezen ter voorbereiding van het Amsterdamse Kunstenplan 2005-2008 dat het gemeentelijk adviesorgaan maandag uitreikt aan wethouder H. Belliot (Cultuur). Kladversies van dit advies waren al eerder uitgelekt.

Onder de beoogde slachtoffers bevinden zich: De Theatercompagnie, het Theaterfestival, het Internationale Theaterschoolfestival (ITs), Carré, het twee jaar geleden opgerichte fotomuseum FOAM.

Voorts adviseert de raad om nog eens drieëntwintig instellingen fors te korten, waaronder de Muziekschool (1 miljoen euro korting op een subsidie van 3,8 miljoen), het Stedelijk Museum (4 ton), het Nationale Ballet (2,6 ton), het Muziektheater (2 ton) en Toneelgroep Amsterdam (2,2 ton). Voor veel van deze groepen komen de negatieve adviezen bovenop die van de Raad voor Cultuur, die twee weken geleden een advies over de rijkssteun aan de kunsten uitbracht.

De raad had bijna 71 miljoen te verdelen. Gedwongen door de ,,opgelegde bezuinigingen'', zo schrijft de raad, zijn verschillende geadviseerde kortingen ,,niet gebaseerd op een kwaliteitsoordeel en zijn daarmee zelfs in tegenspraak.'' Over de beoogde korting op het Concertgebouworkest schrijft de raad bijvoorbeeld: ,,Er is geen enkele inhoudelijke aanleiding voor een korting''.

In het advies toont de raad zijn onvrede over het feit dat Belliots bezuiniging in het nieuwe Kunstenplan het dubbele is van de vier miljoen die zij had beloofd. De nieuw bezuinigde vier miljoen wil de wethouder aanwenden voor `vrije kredieten': door haar vrij te besteden geld voor projecten als `Diversiteit meer tonen' en het Investeringsfonds. De raad acht het ontoelaatbaar dat dit over de ruggen van de vaste gesubsidieerden gebeurt. Buitendien is de raad tegen het ontstaan van een `derde subsidiestroom' (naast die van het Kunstenplan en van het Amsterdams Fonds voor de Kunst), die zijns inziens te rechtstreeks uit de handen van Belliot vloeit, waardoor de in het kunstbeleid heilige regel van de `overheid op afstand' in gevaar komt. De raad schrijft aan Belliot: ,,Woordkunst en cijferkunst ten faveure van eigen bestedingsruimte [...] wekt geen groot vertrouwen in de nieuwe aanwending van deze middelen.''

Een deel van deze extra bezuiniging (1,8 miljoen) wil de raad afwenden op het Amsterdamse Fonds voor de Kunst, dat de niet-structurele subsidies uitdeelt. Volgens de raad opereren het fonds en Belliot met haar vrijgemaakte projectgelden namelijk toch op dezelfde markt. Bovendien is de raad ontevreden over het functioneren van het fonds.

Tegenover de gekorte groepen staan eenenveertig nieuwe instellingen die een geringe bedrag krijgen toegewenst. Van achtentwintig instellingen adviseert de raad de subsidie te verhogen.