Leven met een vergulde naam

Joop Alberda (51) neemt na de Spelen in Athene afscheid van NOC*NSF. Het stelt hem teleur dat de ideale structuur voor topsport nog niet is gerealiseerd. ,,De kunst van het besturen is sneller te zijn dan Darwin om Einstein te benaderen.''

Joop Alberda behoeft geen nadere introductie. Zijn naam is in de topsport een keurmerk voor succes, sinds hij het Nederlands volleybalteam in 1996 naar de gouden olympische medaille coachte en het concept bedacht waarmee de olympische ploeg in 2000 met het recordaantal van 25 medailles terugkeerde uit Sydney. ,,Fascinerend dat je faam geniet, maar ook beangstigend, omdat ik niet alles weet.''

Het zal wel valse bescheidenheid zijn, dat Alberda moeizaam over zichzelf praat. Dan valt hij terug op staccato zinnen, terwijl hij aan één voorzet genoeg heeft om een met metaforen doorspekt, gloedvol betoog af te steken over de stand van zaken in de Nederlandse sport. Het gaat niet om hem, maar om zijn werk, vindt de technisch directeur van de sportkoepel NOC*NSF, die na de Olympische Spelen in Athene afscheid neemt. De Fries die in Groningen woont is dienstbaar aan de sport.

Toch roept Alberda's dynamiek de vraag op waar hij de tijd en energie vandaan haalt. En of hij nog wel een eigen leven heeft, want je komt hem in het olympische circuit overal tegen. ,,Het is best moeilijk mijn werk met een privé-leven te combineren'', zegt de vader van een negentienjarige zoon en een dochter van zestien. ,,Maar het is makkelijker dan in mijn tijd als coach van de nationale volleybalploeg. Toen was ik verantwoordelijk voor twintig mensen die gefocust waren één keer in hun leven een uitzonderlijk kunstje te doen. Destijds had ik de macht over een proces, nu heb ik alleen invloed op concepten. En in die positie heb je meer tijd.''

Daarnaast is het Alberda's kwaliteit zijn tijd efficiënt te gebruiken. ,,Dat heeft te maken met mijn fascinatie voor snelle processen; dat zit in mijn genen'', zegt hij. ,,Wat ik vandaag kan doen, stel ik nooit uit tot morgen. Dus doe ik netto meer. Ik schroom niet iemand op zondagochtend om elf uur te bellen, of op zaterdagavond elf uur. Als ik maar weet welke geest erachter zit. Als ik in Madrid verblijf en de bokser Hüsnü Koçabas belt met een probleem, heb ik dat binnen een half uur opgelost. Snelheid van handelen vind ik een kenmerk van topsport. Nee, dat is allerminst gebruikelijk. De emotie van topsport maakt het betrokkenen vaak onmogelijk om zaken goed te regelen.''

Zijn onstuimige werkwijze heeft Alberda tot een begrip in de Nederlandse sportwereld gemaakt. Hij weet het, maar profileert zich liever als een ingetogen mens. ,,Mijn naam gevestigd? Ach, dat heeft mijn pake, Jogchum Alberda, al gedaan. De mijne is verguld op 4 augustus 1996, de dag dat de volleyballers olympisch kampioen werden; daar verander ik niks aan. Wat ik eraan heb? You're so good as your last race. Het grote voordeel van mijn naam is dat ik makkelijker ergens binnenkom. Dat kon tot 1996 op een bepaald niveau, maar dat gaat sindsdien een stapje verder. Intrigerend proces vind ik dat: niemand kent je, maar na het succes met de volleyballers hechten veel mensen plotseling waarde aan jouw mening. In sport kun je wel wat vinden, maar dat telt niet. Je moet steeds weer bewijzen dat je de beste bent.''

Volgens dat adagium werkt Alberda aan een ploeg die bij de Spelen van Athene beter tevoorschijn moet komen dan vier jaar geleden in Sydney. Een heersende opvatting is dat het aantal van 25 medailles onmogelijk kan worden overtroffen, omdat de olympische ploeg kwalitatief minder zou zijn en de helft van het aantal medailles in Sydney op naam kwam van Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn en Leontien van Moorsel, sporters van wie niet wordt verwacht dat zij tot een herhaling van die prestatie(s) in staat zijn. Maar dat is scepsis waar Alberda zich tegen verzet. ,,Typisch Nederland. We zeggen eigenlijk: de medailles van die drie tellen niet. In plaats van trots te zijn, gaan we mieren in de trant van: eigenlijk stelt het niet veel voor wat ze gepresteerd hebben. Is een grotere belediging mogelijk? Neem van mij aan dat zij met gelijke ambitie zijn blijven trainen.''

Alberda heeft het volste vertrouwen in zijn sterren, tot wie hij ook Mark Huizinga en Anky van Grunsven rekent. Verder baseert hij zijn optimisme op de sporten die in vergelijking met `Sydney' volgens hem een sprong voorwaarts hebben gemaakt, zoals judo, atletiek, badminton, paardensport, handboogschieten en vooral wielrennen. Zorgen heeft de technisch directeur over roeien en de teamsporten. ,,De marges voor ploegen zijn dermate klein dat je heel goed moet zijn om aan de top te kunnen verschijnen. Wij hebben ons bij de teamsporten jarenlang op basis van creativiteit en individualisme kunnen handhaven, maar die rek is er inmiddels uit. De oplossing is een jeugdopleiding beginnen waaruit sporters voortkomen die onmiddellijk in de wereldtop meekunnen. Maar daar heb je geld voor nodig, want het duurt twee olympische cycli voordat de sprong van grondstof tot eindproduct is gemaakt.''

Om cynisme en kamerbrede discussies te voorkomen spreekt Alberda zich niet uit over het aantal medailles dat hij in Athene verwacht. ,,Ons streven is het beter te doen dan de vorige keer. Maar je bent afhankelijk van de vingertop van Van de Hoogenband of de nagel van De Bruijn, zo smal zijn de marges aan de top geworden. Om niet steeds van dezelfde sporten afhankelijk te zijn, vind ik wel dat er naar uitbreiding van de olympische ploeg gestreefd moeten worden. Er moet geïnvesteerd worden in vrouwensport en de integratie moet op gang worden gebracht. Net als het Nederlands elftal moet de olympische ploeg een afspiegeling van de samenleving worden. We hebben geen worstel, gewichthef- of bokscultuur, maar Turkije bijvoorbeeld wel. Er moeten in die sporten toch talenten in die bevolkingsgroep rondlopen?''

Verdere vernieuwing wordt een taak voor Alberda's opvolger. Die man of vrouw zal bij NOC*NSF terechtkomen in de ambtelijke cultuur, waarop Alberda bij de aankondiging van zijn afscheid genuanceerde kritiek had. Ondanks zijn inspanningen stelt het hem teleur dat de ideale structuur voor topsport niet gerealiseerd is. Hij bepleit een maatschappelijke discussie, die door NOC*NSF in gang gezet zou moeten worden. ,,Topsporters, topcoaches, topbestuurders uit de sport en het bedrijfsleven, maar ook mensen uit de kunst zoals Freek de Jonge en de media zoals Mart Smeets zouden met elkaar de succesfactoren moeten opstellen. Centrale vraag in die discussie moet dan zijn: wat is presteren eigenlijk en kunnen we loskomen van de blokkades die er nu zijn? De kunst van het besturen is elke dag een beetje sneller te zijn dan Darwin om Einstein te benaderen. Anders gaan de zaken zoals ze lopen en hoef je niets te doen. Topsport heeft zijn eigen ideologie, zijn eigen tempo en zijn eigen wetten. Gelukkig laten de besten zich niet beïnvloeden door trage besluitvorming; die volgen hun weg toch wel. Ik zie dat niet de bonden maar de toppers zelf die laatste stap maken.''

Mocht die Task Force er ooit komen dan zou Alberda graag zien dat er over synergie tussen de bonden gesproken wordt. ,,Bij elke sport hoor ik: wij zijn uniek en onvergelijkbaar met elke andere sport. De etalage mag onderling verschillen, maar niet de organisatie. Ik zou zeggen: maak een warenhuis voor de sport met verschillende disciplines, maar met één management. Misschien is het voor Nederland een stap te ver, of eenvoudigweg geen goed plan. Maar ik zou graag willen dat het idee eens besproken wordt. Nu is er te weinig verband tussen de verschillende lagen. Voetballers spelen tegen elkaar en kunnen buitenspel staan. Eén laag daarboven, op bestuurlijk niveau, is buitenspel staan een abstractie, dat telt helemaal niet. En een laag daar weer boven weet men bij wijze van spreken niet eens dat het over voetbal gaat; dan gaat het over communicatie en marketing met voetbal als middel.''

Sport als inspiratiebron Alberda raakt er niet over uitgepraat. Hij zou nog nadrukkelijker dan nu willen dat er bij goede sportprestaties een nationaal gevoel van trots ontstaat. ,,Want trots kweekt zelfvertrouwen. En van zelfvertrouwen wordt de samenleving alleen maar beter. Mooier kan de overheid het niet krijgen. Overdreven nationalisme? Het is toch geweldig dat sport zo belangrijk is. Anders had jij dit interview niet kunnen maken. Nee, ik ben evenmin bevreesd voor commerciële uitwassen. De commercie heeft de sport an sich beter gemaakt; sporters zijn sneller en sterker geworden. En doping is echt niet alleen de schuld van de commercie, ook van sporters die hun ethische grenzen niet kennen. Vroeger gebruikte de DDR sport om een ideologie te verkopen; het Westen gebruikt sport om een economie te verkopen. Johan Cruijff, Marco van Basten en Pieter van den Hoogenband staan model voor de BV Nederland.''

Maar als Nederland komende maand succesvol is bij het EK voetbal en de proportionaliteit in aandacht weer ver te zoeken zal zijn, gebeurt dat niet tot Alberda's ergernis. ,,De samenleving bepaalt zelf hoe ze daar mee omgaat'', zegt hij. ,,Enerzijds vind ik het geweldig dat Nederland tot en met alle benzinestations oranje gekleurd is, anderzijds vind ik het een kwaliteit van onze samenleving dat we na vier dagen, als de analyse gemaakt is, overgaan tot de orde van de dag. Sporters worden gelukkig niet, zoals in veel andere landen, bewierookt en beschimpt als ze wel of niet presteren. Maar daarin denk ik ook paradoxaal, want ik zou sport graag hoger op de maatschappelijk ladder willen zien. Er moet in mijn ogen naast de cognitieve kwaliteiten van mensen ook maatschappelijke waardering komen voor de fysieke kwaliteiten.''

Sinds Alberda zijn afscheid bij NOC*NSF bekend heeft gemaakt en de reacties daarop zijn losgekomen, heeft hij er geen spijt van vrij vroeg duidelijkheid te hebben verschaft. ,,Ik ben ervan overtuigd dat het gerucht rondom de Olympische Spelen zou gaan rondzingen. In geval de pers er dan naar vraagt en ik alleen kan antwoorden dat mijn contract tot en met 31 december duurt, laat je het over aan interpretatie van de buitenwereld. Naar Athene gaan en zelf voor ruis zorgen, zou wel heel raar zijn. Ik kon het ook zo vroeg doen, omdat ik geen band als coach met de sporter heb. Op een moment dat een coach zijn vertrek aankondigt, is zijn relatie met de atleet of de ploeg anders geworden.''

Alberda zegt nog geen idee te hebben wat hij vanaf 1 januari 2005 gaat doen. Sinds hij in 1997 bij zijn aantreden als technisch directeur afstand heeft gedaan van zijn terugkeergarantie bij de universiteit van Groningen, laat hij de toekomst op zich afkomen. ,,Geloof me, ik ben daarin op dit moment volledig blanco. En dat laat ik zo tot 15 oktober als de evaluatie van de Olympische Spelen is afgerond.'' Maar wie hem ook contracteert, zal één harde eis moeten accepteren: Alberda is maar voor vier dagen vast te leggen. ,,Die vijfde dag is voor een Fries niet te koop, want dat is zijn vrijheid. Als ik het werk leuk vind, geef ik die andere dagen cadeau, maar dat recht op vrijheid zal ik nooit opgeven. Ik vind emotionele onafhankelijkheid waardevoller dan welke som geld ook.''