Het verband tussen Babe en een karbonaadje of de afwezigheid van dieren in onze levens

In het leven van een kind zijn dieren enorm belangrijk, in een volwassen leven vrijwel niet, behalve als het om huisdieren gaat. Heerst er een mensenplaag?

`Ap', zegt ze en ze wijst met haar vinger naar een klein wezentje met rossig piekhaar dat aan één poot ondersteboven hangt en met zijn donkere klauwtjes de lome vingers van zijn moeder probeert te grijpen. Terwijl ze haar neus tegen het glas duwt, laat het wezen aan de andere kant van het raam zich breeduit in het stro vallen om vervolgens weer razendsnel in een touw omhoog te klimmen. `Ap' is een orang oetan en blijkt, zoals staat aangegeven op het vel papier dat tegen het raam van de kooi is geplakt, in dezelfde maand te zijn geboren als mijn kind. ,,Kijk, ze heet Surya'', zeg ik tegen mijn opgetogen dochter die inmiddels een paar kooien verder is om een andere aapachtige soortgenoot aan te gapen.

Hannah is net anderhalf en haar hele universum draait om dieren. Een bezoek aan Artis is voor haar een absoluut hoogtepunt van de dag. Op straat kan er nog geen kat voorbij wandelen of hij wordt opgeschrikt door een luidkeels `Aaai..!'. En ook thuis is een van haar favoriete bezigheden het bekijken van beestenplaatjes. En dat zijn niet alleen de huis-, tuin- en keukendieren. Integendeel, de eerste woorden die ze in haar prille bestaan heeft geleerd zijn – afgezien van het gebruikelijke `papa' en `mama'– de namen van dieren die overal ter wereld hun oorsprong vinden. `Pèpè' heet de pinguin, `zeba' is dat gestreepte paard en met `wawa' doelt ze op de Mexicaanse Chihuahua die op de kaft van haar grote beestenboek prijkt.

Het is opvallend, het belang van `het dier' in een kinderleven. Maar nog opvallender is het gebrek hieraan in ons volwassen bestaan. Het lijkt wel of bij ons, met het verstrijken der jaren, de interesse voor het dier op de achtergrond raakt, zo niet geheel uit onze leefwereld verdwijnt. Beesten horen niet thuis in onze Westerse beschaving, ze dienen hoogstens als voedsel, als ornament op de vensterbank of ter vermaak in de kinderboerderij. En wie het als volwassene wel wil opnemen voor de dierenwereld, is óf sentimenteel óf een bedenkelijk links sujet. Goed, veel mensen zijn donateur van Greenpeace of het Wereld Natuur Fonds. Maar dat is dierenliefde op afstand. Leg dat mijn dochter maar eens uit. Haar liefde voor een konijn is op dit moment even groot als haar liefde voor opa. Hoe moet ik haar duidelijk maken dat `nijntje' in Nederland als gevolg van het viraal haemorrhagisch syndroom aan het uitsterven is? Dat is hetzelfde als vertellen dat opa binnenkort nooit meer op bezoek komt. En hoe kan ik haar uitleggen dat alle Artis-bezoekers vertederd zijn door Surya, maar dat de oerang oetan toch, door onze zucht naar tropisch hardhout, langzamerhand zal uitsterven?

Hoe je het ook wendt of keert, uiteindelijk blijft de discrepantie tussen volwassen- en kinderwereld onverklaarbaar. Waar blijft die oorspronkelijke liefde voor het dier? Volwassen worden betekent blijkbaar dat je je gevoelens in toom moet leren houden en je je bewust moet afsluiten van alle leed op deze aarde. Dat is natuurlijk niks nieuws, deze houding is de mensheid eigen en noodzakelijk om te kunnen overleven.

We zijn alleen maar zelden geneigd hier eerlijk voor uit te komen. Erger nog, het dringt niet eens meer tot ons door dat het wellicht vreemd is om met smaak een karbonaadje te verorberen terwijl we, samen met de kinderen, moeten huilen om de filmscène waarin het moedige varkentje Babe vroegtijdig bij zijn moeder wordt weggehaald. Of dat het raar is om wél je eigen hond naar de kapper te brengen of je kat te vertroetelen met Sheba (maak het geheel af met een takje peterselie), maar niet naar China te vertrekken om de reuzepanda voor uitsterven te behoeden. We hanteren een dubbele moraal: dieren zijn leuk, zolang ze zich aanpassen of menselijke eigenschappen ontwikkelen, maar de werkelijk grote problemen die onze leefwereld op de lange duur in gevaar brengen – ontbossing, uitstervende soorten, broeikaseffect – keren we de rug toe.

Maar weinigen vellen een genadeloos oordeel over deze verknipte situatie. Iemand die dat wel doet, is de Britse ideeënhistoricus John Gray. In navolging van de milieuactivist James Lovelock concludeert hij in zijn boek Strohonden, gedachten over mensen en andere dieren (2003), dat de aarde lijdt aan uitgezaaide primateritis, ofwel een mensenplaag. ,,Een menselijke bevolking van bijna 8 miljard kan alleen maar in stand worden gehouden door de aarde te verwoesten,'' schrijft Gray. ,,Als regenwouden in groene woestijnen kunnen worden veranderd, als er door genetische manipulatie steeds grotere opbrengsten aan de dunner wordende grond kunnen worden ontfutseld – dan zullen mensen voor zichzelf een nieuw geologisch tijdperk hebben geschapen, het Eremozoïcum, het Tijdperk der Eenzaamheid [...]''.

Of het ook daadwerkelijk zo ver zal komen, betwijfelt Gray. Geen enkele menselijke beschaving zal in staat zijn het leven op aarde te vernietigen. De toenemende schaarste van hulpbronnen veroorzaakt stress waarop mensen niet anders reageren dan zoogdieren: ze houden op met zich voort te planten. De uitgezaaide primateritis, zo redeneert Gray, zal in de verre toekomst worden genezen door een grootschalige afname van het aantal mensen. Ooit zal er stilte heersen in het apenhuis en staren we naar onze eigen beeltenis, die wordt weerspiegeld door het glas.

Rosan Hollak is redacteur van NRC Handelsblad