Het jacobijnse liberalisme

De drang naar radicale maatschappelijke omwentelingen wordt sinds het optreden van de Jacobijnen tijdens de Franse revolutie vereenzelvigd met linkse, progressieve politiek. In een opmerkelijke omkering aller waarden komen de voorstellen voor maatschappelijke veranderingen alsmede de ideologische onderbouwingen hiervoor op het ogenblik uit de tegenovergestelde hoek van het politieke spectrum. Bij een scala van onderwerpen – van aanpak van geweld op scholen tot coffeeshops, van hervorming van de sociale zekerheid tot versobering van de gezondheidszorg, van huwelijksmigratie tot uitzetting van asielzoekers – waart er een activistisch conservatisme door Nederland. Traditioneel progressieve partijen, die min of meer vanzelfsprekend op welwillende ontvangst van hun standpunten konden rekenen, zijn ideologisch aan de kant geschoven en hebben vooralsnog geen bevredigend antwoord op deze verschuiving weten te formuleren.

Deze week is herdacht dat twee jaar geleden Pim Fortuyn is vermoord. In partijpolitieke zin is de erfenis van Fortuyn onderdeel geworden van het gevestigde Haagse bestel. De LPF is na haar kortstondige, tumultueus verlopen periode in de regering een brave oppositiepartij geworden en de onderstroom van ontevredenen die Fortuyn had gemobiliseerd, is weer ondergronds gegaan. Maar de politieke agenda in Nederland heeft een metamorfose beleefd. De tijd van technocratisch pappen en nathouden, zoals die werd belichaamd door het kleurloze tweede `paarse' kabinet, is voltooid verleden tijd. Hiervoor is een assertieve drang naar actie in de plaats gekomen. Deze omslag valt samen met een wisseling van de spraakmakende politieke elite. De generatie van '68 – de naoorlogse generatie van geboortegolvers die opgroeide met de Beatles en de studentenrevolte van 1968, daarna de mars door de instituties hield en zich toelegde op sociaal-economische emancipatie – bereidt zich voor op haar pensioen. Jongere politici en meningenmakers houden zich bezig met de i-thema's van deze tijd: inburgering, immigratie, islam.

Vanaf de late jaren zestig was sprake van de hegemonie van de sociale wetenschappen. De maakbaarheid van de samenleving was een kwestie van sociale bewogenheid. Dat veranderde na de diepe recessie van de jaren tachtig en begin jaren negentig. Toen na de val van het Sovjet-communisme de ideologie van links in diskrediet was geraakt en vervolgens de informatietechnologie de economische opleving aanzwengelde, was er sprake van een verabsolutering van de markt. Ook die periode is achter de rug. Sinds 11 september 2001 en wat Nederland betreft 6 mei 2002 ligt de nadruk op rechtshandhaving en actief ingrijpen van de staat. Wat vroeger werd gedoogd en daarna aan de onzichtbare hand van de markt werd overgelaten, wordt tegenwoordig gereguleerd, aangepakt en zo nodig bestraft. Er heeft zich een verschuiving voorgedaan van solidariteit via prikkels naar de knoet.

De nieuwe standaard luidt dat ieder maatschappelijk probleem met wetgeving dient te worden bestreden. Als burgers zich niet vrij kunnen ontplooien is actieve overheidsinmenging geboden. Het CDA verwijst in hoofdzaak naar normen en waarden, de VVD baseert zich op de beginselen van de Verlichting om het individuele recht op zelfbeschikking tegen religieuze groepsdwang en eerbiediging van de scheiding van kerk en staat af te dwingen.

De liberalen hebben zich ontpopt als de felste voorstanders van staatstoezicht, interventie en dwang. Hiermee plaatsen ze zich in de politieke voetsporen van de jacobijnen, die tijdens de Franse revolutie de restanten van het ancien regime met harde overheidshand bestreden. In Nederland geeft een liberaal-confessioneel kabinet invulling aan een politieke agenda van rechtshandhaving en christelijke beginselvastheid. Het is de terugkeer van de utopische gedachte van de maakbaarheid van de samenleving uit een wel heel onverwachte hoek.