Grauwe vliegenvanger

Kleurloos heet de grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata) te zijn. Natuurlijk omdat hij niet bont is zoals zijn grotere broer de bonte vliegenvanger, een onopvallend leven leidt en een stil, ijl liedje zingt van nog geen drie tonen, tsiwiet of tsie-tuk-tuk. Hij komt graag in tuinen, bossen en parken met zonnige, open plekken. Ga eens goed kijken naar zijn wijze van jagen: parmantig, kaarsrecht zit het overwegend bruine vogeltje met licht-gestreepte borst op een schutting of tak om dan plots vanuit zijn roerloze positie een insect te vangen, dat door de zonbeschenen ruimte vliegt. De vliegenvanger jaagt snel en moet zich vaak in gewaagde manoeuvres wringen om de insecten te verschalken. De kruin is gevlekt en de donkere staart is betrekkelijk lang. De grauwe vliegenvanger overwintert in zuidelijk Afrika. Ze keren vaak terug naar dezelfde nestelplaatsen van vroeger, liefst in de klimop van een begroeid huis of met klimplanten omrankte schuttingen. Hij dankt zijn volksnamen als wevertje, garendiefje en spinnekop aan de wijze waarop het paartje het nest bouwt, dat ze maken van mos, draden, wol en veertjes. De grauwe vliegenvanger zou ook de Hollandse wevervogel kunnen heten, en dan is hij plots allesbehalve kleurloos.

Illustratie: Rein Stuurman

(Zien is kennen!)

freriks@nrc.nl