Een verwoede strijd tegen incompetentie

Een nieuw topsportplan moet het Nederlands rugby uit het dal trekken. Hoe reëel zijn de plannen? En waarom moest bondscoach Robbie Allen opstappen?

En weer staat het Nederlandse rugby op een tweesprong. Wordt het links- of rechtsom voor de noodlijdende sport met de ovale bal? Ofwel: hollen of stilstaan? Al zo vaak is deze vraag aan de orde geweest dat vrijwel niemand binnen het van oudsher amateuristische en studentikoze wereldje opkijkt van de huidige schermutselingen achter de schermen.

Wie de recente zegereeks (vijf overwinningen op rij) van de Nederlandse A-ploeg in ogenschouw neemt, zou zowaar kunnen vermoeden dat sprake is van een wederopstanding, en dat het topsportbeleid rendeert. Niets is minder waar. Het nationale vijftiental, twee jaar geleden nog acterend in de op één na hoogste divisie, is inmiddels afgegleden naar de kleuterklas van het internationale rugby: de Europese C-poule. Ook op de wereldranglijst heeft Nederland een vrije val gemaakt.

Het valt de spelers nauwelijks aan te rekenen. Het ontbreekt hen domweg aan de vereiste faciliteiten om aan te klampen bij de (semi-)professionele landen (Rusland, Spanje, Portugal), die tot voor kort nog te boek stonden als `minimaal gelijkwaardig'. Op het bondsbureau in Amsterdam regeert nog altijd de onmacht, is de eensluidende mening. Bestuurders blinken uit door een gebrek aan visie en daadkracht.

Maar intern gloort een sprankje hoop. Bart Wierenga, bestuurslid technische zaken bij de Nederlandse rugbybond (NRB), schreef in samenspraak met enkele geestverwanten een ambitieus topsportplan, nadat het vorige niet uitvoerbaar bleek en al snel in de prullenbak verdween. Zijn Commissie Topsport Rugby (CTR) claimt weer enig perspectief te bieden, maar is vooralsnog slechts een papieren tijger.

En zolang de financiële onderbouwing van het topsportplan (nog) niet is veiliggesteld, weigert Wierenga details prijs te geven. Hij zou het wel van de daken willen schreeuwen, maar: ,,Het is niet verstandig nu mijn mond open te doen'', zo viel de oud-international van Castricum de afgelopen weken in herhaling.

Ook zijn strijdmakker en mede-auteur Yves Kummer weigert opening van zaken te geven, hoewel de voormalige voorganger in de scrum inmiddels geen deel meer uitmaakt van CTR. First things first, betoogt de oud-international die doorgaans zelden om een mening verlegen zit. Maar Kummer wil geen gebakken lucht verkopen, en dus houdt ook hij zich aan de afgekondigde radiostilte.

Centraal in het plan van aanpak staat in elk geval de opleiding, zo schreef NRB-voorzitter Ab Ekels in het laatste nummer van het bondsorgaan. Die ontboezeming komt niet als een verrassing. Het schrijnende gebrek aan kennis van de in Nederland actieve trainers en coaches moet hoognodig worden bijgespijkerd. Onder druk van de elders voortschrijdende commercie en (dus) professionalisering heeft het internationale rugby de laatste tien jaar een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Die is aan Nederland grotendeels voorbijgegaan.

Een nieuw aan te stellen technisch directeur moet de middelpuntvliedende en samenbindende kracht worden van en in het topsportbeleid. Verder is de hoop gevestigd op de juniorenselectie (onder achttien jaar), die vorige maand bij het Europees kampioenschap in Italië op een eervolle zesde plaats eindigde in de B-poule. Die generatie heeft het stempel `hoopvol' opgeplakt gekregen.

Intussen is bondscoach Robbie Allen (45) met de noorderzon vertrokken. Na het driedaagse trainingskamp, eind maart op Ameland, keerde hij spoorslags terug naar Noord-Ierland. Volgens de officiële lezing lagen `persoonlijke problemen' ten grondslag aan het plotselinge ontslag. Zelf zegt Allen het zo: ,,Bart Wierenga heeft mij verteld dat ik niet langer het vertrouwen van de spelers genoot, en dus was het beter om te gaan.''

Boze tongen beweren dat hij zich in een dronken bui zou hebben misdragen tijdens een oefenstage in Denemarken, en dat was niet voor het eerst. Allen was daardoor niet langer te handhaven. Zijn verweer: ,,Ik heb inderdaad een paar biertjes gedronken, en zelfs eentje te veel. Dat is mijn fout geweest. Het gebeurde na afloop van een succesvolle stage, where we turned things around. Ik vond dat we wat te vieren hadden.''

Allen voelt zich in de rug aangevallen en sluit niet uit dat hij bewust pootje is gelicht. ,,Sommige mensen willen schoon schip maken. Prima, a bit of fresh air is hard nodig. Maar ze gaan zo nietsontziend te werk dat ze meer kapot maken dan ze beseffen. Ik had op meer krediet gerekend. Ze gooien het kind met het badwater weg, uitgerekend op een moment dat we eindelijk de smaak van het winnen te pakken hadden.''

Maar verbazen doet Allen zich allang niet meer over de wonderlijke gang van zaken in het Nederlandse rugby. ,,Ik heb overal ter wereld (Engeland, Nieuw Zeeland, Zweden, Spanje, Zuid-Afrika, red.) gewerkt, maar wat ik hier in twee jaar en drie maanden heb meegemaakt, overtreft alles. Mijn grootste ergernis is dat er volstrekt incapabele mensen op sleutelposities zitten, mensen die geen flauw benul van rugby hebben. Het is zo'n enorme puinzooi dat ik ergens nog wel blij ben ook dat ik daar geen deel meer van uitmaak.''

`Een puinzooi' trof ook Wierenga aan, toen de topsportcoördinator onlangs de financiën doorlichtte op het bondsbureau. Zoveel oude lijken vielen uit de kast, dat het de vraag is of de door hem bepleite herstart ooit gerealiseerd kan worden. En dus doet hij er voorlopig het zwijgen toe. Maandag hoopt hij meer duidelijkheid te krijgen tijdens een bestuursvergadering.

    • Mark Hoogstad