De mythe van de onbuigzame genen

Het nieuwste boek van Richard Dawkins is weer een feest van de evolutiewetenschap. `Word ik echt nog altijd als selfish gene-boeman gezien?'

STEL, ER LANDEN buitenaardse wezens op aarde, waarover moet je praten? Shakespeare, muziek en politiek zullen de ruimtereizigers waarschijnlijk niets zeggen. Je komt al gauw op wis- en natuurkunde. Maar verder? Darwinisme natuurlijk, is het voorstel van Richard Dawkins in zijn nieuwe boek, A Devil's Chaplain, een bundel van artikelen die volgende week in het Nederlands verschijnt (Uitgeverij Contact, €29,90). Freud of Marx zullen weinig opwinding wekken bij de aliens, sniert Dawkins opgewekt, behalve misschien vanuit een etnografische belangstelling. De centrale vraag van Darwin daarentegen: hoe is de ongelofelijke complexiteit van het leven tot stand gekomen, zal ook de vreemde wezens moeten interesseren. En, zo benadrukt Dawkins, óók Darwins antwoord op die vraag is interessant: dat de complexiteit ontstaat door de natuurlijke selectie van kleine toevallige veranderingen in erfelijke eigenschappen. Kortom: `Darwinisme telt echt mee in het heelal'.

Deze geestige maar evengoed serieuze exercitie is typerend voor het werk van de Britse bioloog Richard Dawkins. Zijn boeken vormen één groot feest van de wetenschap en van de evolutiewetenschap in het bijzonder. Zijn nieuwste boek is geen uitzondering. `Het is zo treurig te denken aan alles wat die New-Agers met hun pseudo-wetenschap missen! Er is zo veel wonderbaarlijks in echte wetenschap', schrijft hij in een stuk over kristal-genezers, waarin hij uitlegt hoe wonderbaarlijk alleen al die kristallen zèlf zijn.

Dawkins is hoogleraar Public Understanding of Science in Oxford. Wat houdt dat eigenlijk in? ``Oh, ik schrijf boeken en krantenartikelen, geef openbare lezingen en treed op voor de radio en televisie'', vertelt Dawkins in een telefonisch interview. ``Misschien dat mijn opvolger colleges zal geven aan wetenschappers hoe ze beter kunnen communiceren. Maar ik communiceer liever zelf over wetenschap.''

Dawkins is wereldberoemd geworden met zijn boek The Selfish Gene (1976), dat hem ook een levenslange polemiek opleverde met mensen als Stephen Jay Gould en Steven Rose, die hem verdachten van genetisch determinisme. En nog altijd levert het idee van het zelfzuchtige gen veel misverstanden op, overigens vooral bij mensen die het boek niet hebben gelezen. ``En lees anders ook het tweede hoofdstuk van mijn boek The Extended Phenotype (1982) nog maar eens'', verzucht Dawkins. ``Het is allemaal nogal lang geleden. Word ik echt nog altijd als een selfish gene-boeman gezien?'' De ironie is dat het boek niets van doen heeft met menselijk egoïsme, integendeel. ``Met dat boek wilde ik juist verklaren hoe het menselijk altruïsme voortkomt uit egoïstisch genen. Altruïstische genen bestaan niet, maar een egoïstisch gen kan wel degelijk altruïstisch gedrag programmeren op een hoger niveau.''

In dat tweede hoofdstuk van de The Extended Phenotype legt Dawkins helder uit wat nu eigenlijk zijn bedoeling was met de beruchte typering uit The Selfish Gene van mensen als `overlevingsmachines blind geprogrammeerde robotvoertuigen ter bescherming van de egoïstische moleculen die genen worden genoemd.' De kern van zijn verweer is een scherp onderscheid tussen genenselectie (de kern van de evolutie) en genetisch determinisme, dat hij ``verderfelijke flauwekul op een bijna astrologische schaal'' noemt. Het ene gaat over evolutie en speelt zich af op haast geologische tijdschalen, het andere gaat over de ontwikkeling van een individueel organisme. Genen vormen het recept om het organisme te bouwen, maar daarna hebben ze geen invloed meer, benadrukt Dawkins. In de ontwikkeling van een organisme, als embryo en daarna, zijn er zéér veel andere invloeden – in klaslokalen bijvoorbeeld, of door blootstelling aan chemische stoffen. Het enige dat telt in de evolutie is of de genen doorgegeven worden aan een volgende generatie. Dat is genenselectie. ``Maar je hoeft echt geen genetisch determinist te worden om een genetisch darwinist te zijn'', herhaalt Dawkins nog maar eens door de telefoon.

De mythe van de onbuigzame genen lijkt moeilijk uit te roeien. Dawkins beschrijft in The Extended Phenotype zijn verbazing over de emotie van een vrouw die na een lezing van een sociobioloog vroeg of werkelijk er genetische sekseverschillen waren in de psychologie: ze was bijna in tranen. Iemand, redeneerde Dawkins, moet haar hebben verteld dat genetische oorzaken voor eeuwig en onveranderlijk zijn, en dat als er genetische sekseverschillen zijn ze dan veroordeeld was tot het huishouden. Maar genetische oorzaken zijn maar statistische trends! En altijd in een gegeven omgeving, zo schrijft Dawkins. Als de omgeving verandert, verandert het genetische verschil ook.

Die evolutie speelt op een totaal andere tijdschaal dan ons eigen leven. Wat hebben wij als mens eigenlijk met die genen te maken?

``Tja, mensen zijn ook nog eens een stuk gecompliceerder dan andere organismen. Op dat niveau van complexiteit ontstaan allerlei nieuwe `emergente' eigenschappen. De grootste bron van die nieuwe, zelfstandige eigenschappen is waarschijnlijk het zenuwstelsel. Dat is ontstaan dankzij genetische selectie, maar als het er eenmaal is en de hersenen groot genoeg zijn, ontstaan er allerlei nieuwe dingen die ver verwijderd zijn van darwinistische selectie. Neem menselijke motivatie, dat heeft geen enkel direct verband meer met darwinistische selectie. Die connectie is extreem indirect en de eigenschappen zijn emergent.''

Maar wat betekent het dan om een `voertuig voor je genen' te zijn?

``Dat gaat om de kwestie op welk niveau natuurlijke selectie werkt. In de tijd dat ik dat schreef was er een controverse over of de selectie werkte op het individuele organisme of op het gen. Mij leek dat geen serieus conflict. Organisme en gen zijn allebei object van selectie, alleen op een verschillende manier. Het individuele organisme is onderworpen aan selectie als drager van de genen. De genen zijn onderworpen aan selectie omdat zij de zelf-replicator zijn: drager van de zelfkopiërende gecodeerde informatie. Die zelf-replicatoren zijn de basis van de darwinistische evolutie. Organismen ontstaan als de zelf-replicatoren samen gaan optrekken en grotere eenheden vormen waarin ze rond gaan reizen. Dat hoeft niet, maar het gebeurt wel. En deze voertuigen gedragen zich als eenheden met eigen handelingen, en dat is weer een heel nieuwe eenheid van handeling dan een gen.''

Dat is dus onze vrijheid: als individuele mensen hebben wij eigenlijk geen directe rol in de evolutie. Als we ons maar voortplanten kunnen we verder doen waar we zin in hebben?

``Ja, en als je kijkt naar de menselijke drijfveren in het dagelijks leven, dan gaat het zelfs niet meer om reproductie in een normale betekenis. Wat dat betreft is er echt iets vreemds met ons aan de hand. We kunnen boeken lezen en schrijven, naar muziek luisteren en al die andere dingen die daar heel erg van verschillen. Dat zijn allemaal emergente eigenschappen die bij ons zijn ontstaan en ik zou ze niet graag bagataliseren.''

Toch heeft het ook iets treurigs. Ooit voelde de mens zich belangrijk als centrum van de schepping, daarna konden we nog troost putten uit onze rol als hoogtepunt van de evolutie. Maar nu blijkt die rol te worden gespeeld door onze passieve genen, niet door onszelf.

``Het is altijd goed als onze pretenties en waardigheid onderuit worden gehaald.''

Maar wat is dan nog de zin van ons leven?

``Fundamenteel gezien is de betekenis van ons leven de verbreiding van zelf-kopiërende gecodeerde informatie, de genen dus. Maar zoals ik net al zei, menselijk leven kan zijn eigen betekenis worden gegeven, als een emergente eigenschap. En de betekenis van jouw leven en van mijn leven kan dus heel erg verschillen van die fundamentele betekenis. Jouw leven kan zin krijgen door een liefde voor de natuur, of een liefde voor muziek, of wat dan ook. Dat kan werkelijk zin en betekenis geven aan een individueel menselijk leven.''

Dat brengt ons een ander idee waar u beroemd mee bent geworden: de memen, een soort zelfkopiërende basiselementen van de menselijke cultuur. Wat is de vernieuwing is ten opzichte van, zeg, `ideeën' en `modieuze opvattingen'?

``Ik denk dat er erg weinig verschil is met die begrippen. Het enige is dat ik met die memen wilde laten zien is hoe een darwinistische theorie van cultuur er zou kunnen uitzien. Dat is alles, ik zeg niet dat er zo'n theorie moet komen. Maar als je het darwinistische idee wil generaliseren, dan moet je iets hebben dat op een gen lijkt als zelf-replicator. Dat idee is zo'n krachtige voortbrenger van bruikbare theoretische modellen, dat het de moeite is te kijken of dat ook in cultuur kan bestaan. Maar ik ben er niet bijzonder aan gehecht als theorie van menselijke cultuur. Susan Blackmore, die het boek The Meme Machine (1999) schreef, heeft er veel intensiever over nagedacht. Ik heb er eigenlijk niet zo veel over te zeggen.''

Maar in uw nieuwste boek schrijft u er toch ook weer over, maar altijd in verband met religie en opvoeding, over de religieuze memen waarmee goedgelovige kinderen worden `besmet'. Is daar dan wel duidelijk wat een meme is, zo'n `besmettelijk idee'?

``Ja, daar vind ik het helderder. Neem nu de kwestie van de islamitische terroristen. Bush en Blair denken dat dat probleem kunnen oplossen door mensen te doden. Maar een memetische analyse zou duidelijk maken dat dat onzin is, je kunt geen besmettelijke ideeën bestrijden door mensen te doden. Als je Osama bin Laden doodt zullen er alleen maar meer mensen worden zoals hij, omdat hij een martelaar wordt.''

Maar voor die analyse heb je toch helemaal geen besef van memen of zelfkopiërende ideeën nodig?

``Nee, dat is waar.''

Waarom bent u zo fel op onbewezen ideeën en religie? Daar kunnen toch ook nuttige hypotheses voor de wetenschap uit voortkomen? Dat zei Popper al.

``Ik denk dat u mij niet begrepen heeft. Ik heb niets tegen onbewezen ideeën. Die kunnen inderdaad een fontein van nieuwe toetsbare hypotheses vormen. Waar het mij om gaat is dat heel veel ideeën, over astrologie, kristalgenezing enzovoorts, naar voren worden gebracht door mensen die helemaal niet geïnteresseerd zijn in experimentele testen. Die haten dat. Ze willen gewoon geloven dat het waar is. Hooguit hebben ze nog een of andere anekdote over dat hen iets goeds is overkomen, nadat ze boven een kristal hebben zitten bidden of zoiets. Daar ben ik tegen, mensen die hun ideeën die niet willen bewijzen.''

U bent professor in het publieke begrip van wetenschap. Wat is het grootste onbegrip?

``Wel, een belangrijk onbegrip is dat wetenschappers zouden spreken vanuit gezag en dat je naar ze zou moeten luisteren, omdat ze wetenschappers zijn. Maar zoals ik net al zei: het gaat in de wetenschap om de testen. Het is niet waar omdat professor Zussemezo dat vindt, het is waar omdat het getest is. In onderdelen van wetenschap waar je niet genoeg van afweet om zelf testen te doen, komt het natuurlijk ook aan op een beetje vertrouwen. In onderdelen van wetenschap waar je niet genoeg van afweet om zelf testen te doen, komt het natuurlijk ook aan op een beetje vertrouwen. Maar het complete gebouw van de wetenschap is gebouwd op openbare verificatie, waarbij andere mensen over de hele wereld kunnen kijken of het wel klopt. Dat is het unieke van wetenschap. Dat begrijpen veel mensen niet.

``De wetenschap gaat met enorme stappen vooruit, maar het begrip neemt eerder af dan toe, tenminste in Groot-Britannië. Je ziet het met de ophef rond de genetisch gemanipuleerde producten. Er is veel vijandigheid à la prins Charles die vindt dat er meer waarheid is dan wetenschap. Dat soort New-Agegedoe. Wetenschap wordt gezien als koud, hardvochtig, weerzinwekkend en genadeloos. Terwijl je het toch ook zou kunnen zien als poëtisch en fantastisch.''

De opmerking in uw boek dat een kruising tussen mens en chimpansee helemaal geen slecht idee is, werpt echter ook niet echt olie op de golven.

``Ach, dat is natuurlijk pesterig bedoeld, omdat zoveel mensen zeggen dat dat verschrikkelijk en walgelijk zou zijn. Het grootste voordeel van zo'n onderneming is dat zo de menselijke waardigheid een dreun verkocht kan worden, en dat is altijd goed. Maar per saldo zou ik er tégen zijn, omdat de enige morele vraag in dit soort zaken is: wie lijdt eronder? En ik denk dat deze mens-chimphybride geen prettig leven zal hebben, door alle media-aandacht alleen al. Ik zou er niet tegen zijn om de reden waarom prins Charles ertegen zou zijn, dat het onnatuurlijk is of zoiets.''

Op woensdag 19 mei houdt Richard Dawkins in de Pieterskerk te Leiden een lezing getiteld `On Niko Tinbergen'. Voor gratis toegangskaarten zie www.science.leidenuniv.nl/tinbergenlezing