De beste acteur is vanzelf de beste president

Amerikaanse presidenten moeten steeds meer acteren. Het is belangrijk dat ze dat met oprechtheid doen, dan doet het er niets toe wat ze zeggen.

Politici en acteurs hebben natuurlijk altijd veel gemeen gehad, al was het maar omdat beide groepen graag willen overtuigen. Door de televisie heeft deze eigenschap echter een nieuwe dimensie gekregen, en wel doordat het beeld zelf overtuigingskracht bezit. Niet omdat gebezigde argumenten steekhoudend en aantoonbaar waar zouden zijn, maar door de manier waarop ze gepresenteerd worden. Zo kan George W. Bush voor de camera met volle overtuiging de maatregelen van zijn regering tegen vervuilende industrieën aanprijzen en tezelfder tijd de regels voor elektriciteitsbedrijven verder afzwakken, zodat een verhoogde kwikuitstoot wordt toegestaan (en dit dan ook nog betitelen als zijn `Clear Skies'-programma!). Hij kan dit doen zonder in verlegenheid te raken, omdat hij acteert, omdat hij wil overtuigen, oprechtheid wil uitstralen, wat de feiten ook zijn.

Zo kan hij zeggen dat veel landen de Amerikanen steunen bij de invasie in Irak en kan hij de indruk wekken dat hij als overwinnaar een succesvolle buitenlandse politiek voert, terwijl toch bijna alle belangrijke Europese landen geweigerd hebben zich bij de Amerikanen aan te sluiten. Het gevolg van al dit acteren is dat de bevolking zich bij het beoordelen van situaties steeds minder laat leiden door de realiteit. Het is onvermijdelijk dat daarvoor de rekening zal worden gepresenteerd, terwijl het land daar nauwelijks op voorbereid is.

In de verkiezingsstrijd tussen Bush en Gore kreeg men bij de zogenaamde debatten tussen de kandidaten steeds het gevoel dat het gesprokene van tevoren bedacht was en helemaal niet voortvloeide uit de botsing der persoonlijkheden en ideeën waar het publiek via de media op voorbereid was. Het was acteren, acteren dat de stukken eraf vlogen. Maar in het algemeen was men het erover eens dat de voorstellingen wel erg saai waren.

En hoe zou dat ook anders hebben gekund met twee mannen die hetzelfde milde, joviale karakter wilden uitstralen, die elkaar dezelfde rol betwistten en die zich in feite allebei probeerden voor te doen als gewone mannen die op zondag rustig een roeitochtje wilden kunnen maken? De rol van de sympathieke kerel met de mildheid van een Bing Crosby en een vleugje Bob Hope. Het was duidelijk dat ze allebei geinstrueerd waren het publiek niet af te schrikken door een teveel aan passie, maar de mensen de verzekering te geven dat ze, indien ze zouden worden gekozen, niets zouden ondernemen waar een oppassend burger van wakker hoeft te liggen. Een dramaturg zou zeggen: er was geen innerlijke realiteit, de spelers waren niet oprecht, er werd ons geen blik gegund in hun weerspannige zielenroerselen. Eén keer gebeurde er iets opmerkelijks – een fractie van een seconde lang zagen we Gore ongelovig zijn hoofd schudden om een onnozele opmerking uit de mond van Bush. Het was kenmerkend dat de pers hem vanwege dit nauwelijks merkbare gebaar de mantel uitveegde: hij zou zich superieur en respectloos hebben gedragen jegens zijn tegenstander. Met andere woorden: hij was uit zijn rol gevallen en had getoond wie hij werkelijk was.

De Amerikaanse pers lijkt te bestaan uit theatercritici; inhoud doet praktisch niet ter zake in vergelijking met de in de te spelen rol getoonde stijl en inventiviteit. Het gaat erom óf de man weet te overtuigen, niet om datgene waarván hij ons probeert te overtuigen. Gore was uit zijn rol gevallen, één milliseconde lang had hij gefaald en was hij zichzelf geweest! En deze clown wilde president worden? De wereld is weliswaar een schouwtoneel, maar het begint er steeds meer op te lijken dat het onderscheid tussen voorwendsel en realiteit aan het vervagen is.

Voor iemand met een oud geheugen als het mijne lijkt tegenwoordig alles van tevoren bekokstoofd en gespeend van het gevoel van feestelijkheid dat de gekte van de Amerikaanse wijze van campagnevoeren vroeger bij je opriep. Onze huidige presidentskandidaten zijn als verzekeringsagenten op het strand, begrafenisondernemers in een variététheater: ze kunnen zich niet laten gaan en eens een keer iets leuks doen.

Laten we eens proberen ons de debatten tussen Lincoln en Douglas van vóór de Amerikaanse Burgeroorlog voor te stellen, toen duizenden op een weiland bijeenkwamen om te luisteren naar deze twee sprekers, die op boomstronken stonden, zodat ze ook van veraf te zien waren. Ze waren niet geschminkt, en geen van beiden beschikte over iemand die zijn toespraken schreef; hoe ongeloofwaardig het ook mag klinken, deze bedachten ze allebei zelf. Zo zou Lincoln later zijn befaamde rede in Gettysburg tijdens een reis op losse velletjes noteren. Wie kan zich voorstellen dat een van onze kandidaten zo overtuigd zou zijn – en wat belangrijker is, zo openhartig en zo zelfverzekerd – dat hij zijn hart op die manier zou laten spreken? Lincoln en Douglas gedroegen zich beschaafd tegen elkaar, althans voor zover hun opmerkingen voor het nageslacht zijn vastgelegd, maar ze vielen elkaar scherp en goed gefundeerd aan op elkaars ideeën en zeiden erbij hoe zij de problemen van het land wilden aanpakken.

Hun stijl zal beslist heel anders zijn geweest dan de huidige, waarbij het erop aankomt om onverstoorbaar te zijn en voor de camera niet het achterste van je tong te laten zien. De lens vergroot alles uit: even een ooglid optrekken, en het lijkt alsof je dreigend kijkt. De voorwaarde voor succes op de televisie is samen te vatten in één woord: minimaliseren. Wat je ook doet, als je voor de camera staat, moet je het in afgezwakte vorm doen, en zorg ervoor dat je onverstoorbaarheid uitstraalt. Met andere woorden: acteer.

Redevoeringen werden vroeger zonder microfoon en voor honderden mensen in de open lucht gehouden, dus de sprekers moeten bredere gebaren hebben gemaakt en meer gevoel in hun stem hebben gelegd dan ze in het dagelijks leven deden. Ook hun taalgebruik moet spitser en preciezer zijn geweest, wilden ze hun standpunten tot in de verste hoeken van de menigte laten doordringen. Er stonden geen grimeurs klaar om iedere zweetdruppel van de lippen van de spreker te vegen; de kandidaten speechten in de zomerhitte in hemdsmouwen, en de mensen die vlak bij hen stonden moeten hen hebben kunnen ruiken. Kortom, de menselijke realiteit zal in die debatten een rol hebben gespeeld.

Ooit heb ik op memorabele wijze geleerd hoezeer de camera geneigd is om alles uit te vergroten, namelijk toen ik op de laatste opnamedag voor The Misfits keek hoe Clark Gable acteerde in de laatste shot van de film. Hij zat achter het stuur van zijn truck toe te kijken hoe Marilyn een paar meter voor hem uit de riem van zijn hond losmaakt van de paal in de grond.

De camera draaide, en ik verwachtte een blik van gelukzaligheid op zijn gezicht te zullen zien verschijnen – hij werd verondersteld een blik van grote warmte en liefde in haar richting te werpen – maar vanaf mijn plaats naast de camera, een meter of drie van hem vandaan, zag ik geen verandering in zijn gelaatsuitdrukking. `Cut!' Ik keek John Huston aan, die blijkbaar tevreden was en naar Gable toeliep om hem de hand te schudden nu ook deze laatste shot erop stond.

De dag daarop zag ik hoe de opname was geworden. Over het gezicht van Gable gleed een uitdrukking van grote gelukzaligheid, zijn ogen straalden van blijdschap. Ik zei tegen Gable, die naast me in de screeningroom zat, dat ik ervan overtuigd was geweest dat hij niets had gedaan. Hij hield zijn beide handen als een vizier voor zijn ogen. ,,Acteren in een film gebeurt helemaal hier', zei hij, wijzend naar zijn ogen, ,,en hoe minder, hoe beter.'

Bij deelnemers aan een politieke discussie kan een dergelijke schroom voor de camera – om niet overdreven over te komen – echter een dempend effect hebben op hun spontaniteit en de bereidheid om het conflict aan te gaan. In de vorige verkiezingscampagne leek het er soms zelfs op dat de kandidaten bang waren dat wanneer ze iets wezenlijks te berde zouden brengen en daarover echt in de clinch zouden gaan, het licht ontvlambare publiek in rep en roer zou raken. Het gevolg was een ware plaag van goedmenende, vriendelijke gezichten op het scherm, alsof bij een bedenkelijke frons of een uiting van hartstocht bij de bevolking de vlam in de pan zou kunnen slaan.

Het is bij politici niet anders dan bij acteurs: het allerbelangrijkste is dat ze een natuurlijke oprechtheid tonen. Als we terugdenken aan de grote sterren van het witte doek, valt het niet mee om ons een acteur voor de geest te halen die niet een fundamenteel soort ontspannenheid had, een zelfverzekerdheid die je met het heroïsche associeerde. Hoe verschillend Bogart, Stewart, Edward G. Robinson, Cagney, Widmark, Wayne en Mitchum in hun privé-leven ook geweest mogen zijn, als acteurs leken ze kerels uit één stuk die zich volkomen op hun gemak voelden. Ronald Reagan wist zijn tegenstanders te ontwapenen door geen enkele onzekerheid te tonen, wat hij ook beweerde. Hoe onbenullig zijn ideeën en opmerkingen ook werden gevonden, hoe cynisch en manipulerend hij in werkelijkheid ook was, hij leek te geloven in wat hij zei.

Hij kon zeggen dat luchtvervuiling werd veroorzaakt door bomen of dat schoolkinderen wel degelijk groenten te eten kregen, omdat er bij de lunch tomatenketchup was. Hij kon de indruk wekken dat hij persoonlijk had meegevochten in de Tweede Wereldoorlog in plaats van alleen in een film over de oorlog te hebben gespeeld, of die film misschien zelfs alleen maar te hebben gezien.

Maar ook als je hem niet geloofde, kon je toch nog wel plezier hebben in de oprechtheid waarmee hij de dingen naar voren bracht. Oprechtheid veronderstelt eerlijkheid en afwezigheid van morele conflicten bij de spreker. Maar het kan natuurlijk ook wijzen op ongevoeligheid of zelfs stompzinnigheid. Welke andere Amerikaanse gezagdrager zou bijvoorbeeld, zonder dat zijn persoonlijke reputatie er schade van ondervond, een begraafplaats vol dode nazi's hebben kunnen bezoeken en bij die gelegenheid nauwelijks iets zeggen over de miljoenen slachtoffers van dat walgelijke regime, onder wie ook Amerikanen? Reagan was echter niet gewoon maar een acteur, hij hield van acteren, en je kunt van hem zeggen dat hij in het openbaar altijd acteerde, maar ook dat hij het altijd met oprechtheid deed.

Clinton is een iets minder goede acteur, die af en toe moet blozen, maar die dan ook betrapt was op buitenechtelijke seksuele handelingen, wat veel ernstiger is dan het illegaal versturen van wapens naar andere landen. Reagans gewoonte om wat in films gebeurt te verwarren met dingen die echt hebben plaatsgevonden, wordt vaak beschouwd als een soort domheid, maar in wezen was het – onbewust uiteraard – een triomf van de methode Stanislavsky, een kroon op het vermogen van de acteur om de realiteit te betrekken bij de fantasie van zijn rol. Bij Reagan was de scheidslijn tussen acteren en actualiteit gewoon opgelost, weg.

We verlangen van onze leidersfiguren in de politiek precies hetzelfde wat we verlangen van hoofdrolspelers in het theater of op het witte doek, namelijk de verzekering dat we te maken hebben met iemand die bewezen heeft dat hij de gebeurtenissen en zijn eigen onzekerheden aankan. De mens verdraagt niet erg veel realiteit, zegt de dichter, en de politiek is daarvan het beste bewijs. De moeilijkheid is dat de leidende politicus op de een of andere manier symbool wordt van zijn land, zodat we met de lastige vraag blijven zitten of we ons, als er werkelijk problemen ontstaan, daaruit zullen kunnen redden door te acteren.

Arthur Miller (1915) is een vooraanstaande Amerikaanse toneelschrijver, zijn bekendste stuk is `Dood van een handelsreiziger'.

Deze week verschijnt bij uitgeverij Vassallucci zijn boek `Over politiek en de kunst van het acteren'.

Bovenstaande tekst is een bewerking van gedeeltes uit `Over politiek en de kunst van het acteren'

Gerectificeerd

Vertaler

Bij Arthur Millers artikel De beste acteur is vanzelf de beste president (8 mei, pagina 13) ontbrak de naam van de vertaler, Irving Pardoen.