Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Een jonge joodse Hongaarse studente vertelde me dat ze had geprobeerd een tijd in Israël te leven maar dat ze zich daar antisemitisch voelde worden. Een Hongaarse vriend die al vijftien jaar met een joodse vrouw het leven deelt is van mening dat het antisemitisch is te vragen of iemand joods is. Ons Hongaarse kindermeisje in Nederland vertelde na drie maanden terloops dat ze joods was en probeerde me te overtuigen dat het in haar leven niets betekende. De Boedapester binnenhuisarchitecte zegt dat ze niets tegen joden heeft, alleen dat ze als groep lastig kunnen zijn. In Hongarije zijn er twee onderwerpen die in ieder langer gesprek uiteindelijk aan bod komen. Het eerste is uiteraard het onrecht van Trianon, het tweede de joden, dat andere onverwerkte trauma.

Het is voor Nederlanders wellicht prettig te weten (of deprimerend) dat er een land in Europa is dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in hulpvaardigheid aan de bezetter ons overtroffen heeft. En nog minder dan wij weten de Hongaren hoe met deze wetenschap om te gaan. Bijkomende complicerende factor is dat 50 jaar lang over dit onderwerp gezwegen diende te worden en dat zowel in de radenrepubliek van 1919 als in de stalinistische tijd direct na de oorlog een relatief hoog percentage van de communistische schoften joden waren.

Tot 1944 hoopten de 800.000 Hongaarse joden veilig te zijn dankzij Horthy's ambivalente bondgenootschap met de nazi's. En met het naderen van de geallieerden van beide kanten leek dat lange tijd het geval. De anti-joodse wetten van 1938-39 isoleerden hen maar maakten het leven niet onmogelijk. Na de Duitse bezetting van Hongarije op 19 maart 1944 kwam Eichmann met nog geen tweehonderd man van zijn eenheid naar Boedapest en wist met hulp van Hongaarse pijlkruisers, politie en gendarme in zes weken tijd 450.000 joden op transport te zetten. De systematiek was dezelfde als in Nederland, inclusief het gebruiken van de joodse raad en joodse kranten. Het ging zo voorspoedig dat Eichmann lyrisch noteerde: ,,Het verloopt als een droom.'' Wrange wetenschap achteraf is dat het apparaat dat de deportaties organiseerde zo onderbezet was dat er geen represailles volgden als je je niet voor transport meldde.

Onder de titel `Wij weten niet waarom wij iets doen' staat in M van deze maand een interview met psycholoog Tim Wilson. Zijn onderzoekingen – beschreven in Strangers to Ourselves – tonen aan dat mensen over het algemeen niet weten wat ze willen, wat ze voelen en waarom ze doen wat ze doen. Een verademing om te lezen – ik dacht dat ik de enige was die maar wat aanrommelde. We doen maar wat. En vervolgens proberen we er een verhaal van te maken.

In het interview zegt Tim Wilson dat een coherent verhaal over onszelf ons leven richting geeft. Hij vertelt hoe getraumatiseerden langzaam weer een samenhangend verhaal over zichzelf en hun leven leren vertellen. ,,Zodra je een coherent verhaal hebt, kun je het gebeurde van je af zetten.''

De in Nederland wonende uit Hongarije afkomstige Péter Várdy begon zeventien jaar geleden Hongaren, het merendeel joods, te interviewen over het dagelijkse leven in de oorlog en de jaren die er aan voorafgingen. Meestal kreeg hij bij het begin van het interview de `Gretchenfrage' wat zijn betrokkenheid bij het onderwerp was. Met zijn antwoord (,,Ik was negen in 1944 en een van de vervolgden'') won hij het vertrouwen.

Várdy heeft met precisie die de stereotypen en afstompende grote getallen overstijgt de ondervraagden weten te laten praten waarover ze vaak nog nooit hadden gesproken. Zijn motivering was dat deze verhalen niet verloren mochten gaan, onbedoeld heeft hij de geinterviewden wellicht een dienst bewezen dat ze hun verhaal hebben kunnen vertellen. Hoewel veel waarschijnlijk nooit `rond' gemaakt kan worden. Een oude Hongaarse dame vertelde hoe ze bij aankomst in 1944 in Auschwitz door een joodse Slowaakse kapo mishandeld werd en kreeg toegebeten: ,,Terwijl jullie ganzen zaten te vreten hebben wij onze ouders verbrand.''

Een andere joodse mevrouw vertelt: ,,Laat ik je een van mijn allereerste herinneringen vertellen, uit 1939 of zelfs uit 1938. Ik was drie jaar oud. Het moet ergens vroeg in de zomer geweest zijn. De zon scheen helder in de laan van het Margaretha eiland, mijn moeder nam me mee voor een wandeling in de frisse buitenlucht. De kinderen van betere families gingen onder escorte van kinderjuffrouw of moeder naar het park en de speelvelden. Een aantal oudere jongens speelde niet ver van de bank waar mijn moeder ging zitten. Ik moet zelfverzekerd zijn geweest want ik vroeg of ik met de jongens mocht spelen. Mijn moeder zei dat ik het ze maar moest vragen. Dat deed ik, ik vroeg: `Mag ik met jullie spelen?'

Ze antwoordden: `Ja, het mag als je een chlisten bent.' Ik zei dat ik het mijn moeder zou vragen. En ik rende terug, trots dat deze grote jongens mij als hun gelijke wilden behandelen. Dit is mijn eerste bewuste herinnering; dat ik mijn eigen lichaam voelde, de kracht, de wind op mijn huid, terwijl ik terugrende harder dan ik ooit tevoren gedaan had. Ik vroeg mijn moeder: `Vertel me mam, ben ik een chlisten?' Mijn moeder lachte en knikte. Ik rende terug naar de kinderen met mijn antwoord, ze accepteerden het en ik mocht met hen spelen.''

Ik heb me wel eens afgevraagd hoe het komt dat 70% van alle schrijvers – van de afgelopen eeuw, niet van de eeuw dáárvoor – die ik bewonder joods zijn: Isaak Babel, J.D. Salinger, Philip Roth, etc. Misschien, besef ik door Wilson, heeft het niet zozeer met joods-zijn te maken, maar met de noodzaak het verhaal rond te krijgen. Hoe meer men vervolgd is en aan scherven geslagen, hoe krachtiger de drang het weer één te maken.